Levensbericht Jo Daan

verschenen in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde te Leiden 2005-2006, blz. 37-45.

Johanna Catharina Daan
Krommenie 12 mei 1910 – Deventer 11 juni 2006

Johanna Daan was de dochter van Cornelia van Vliet, een Zaankantse en Mertinus Everhardus Daan, die uit Friesland kwam. Ik noem haar hier verder gewoon maar: Jo, zoals ik gewend was vanaf de dag dat ik in dienst kwam bij de afdeling dialectologie, waar ze toen hoofd van was *). Jo was het tweede kind in het gezin, waar verder geen kinderen meer kwamen. Twee jaar na haar geboorte verhuisde het gezin  naar de Eerste Helmerstraat in Amsterdam, waar vader als onderwijzer meer kon verdienen. Jo heeft zich desondanks altijd Zaanse gevoeld, grotendeels wel doordat haar moeder het dialect is blijven spreken. Na de lagere school ging ze naar de h.b.s., dat was het hoogste wat je je als onderwijzersdochter fatsoenshalve kon permitteren.
Na de h.b.s.  heeft ze serieus gedacht aan een toekomst in artistieke richting, ballet, eventueel toneel. Toen dat niet door kon gaan, pa Daan hield het tegen, viel de keus op de studie Nederlands, min of meer onder de invloed van de boeiende lessen van haar docent G. Leffertstra.  Die talenstudie was overigens pas mogelijk nadat ze eerst het staatsexamen gymnasium had afgelegd. Ook bij de keuze voor de specialisatierichting taalkunde was het weer de persoon van een docent, in dit geval de hoogleraar F. A. Stoett, die beslissend was. Van veel betekenis voor haar verdere leven waren de colleges Sanskriet van professor B. Faddegon, die haar in aanraking brachten met een ongekende Oosterse gedachtewereld.

Na haar afstuderen in 1936 bleek hoe moeilijk het was aan werk te komen, zeker als je geen leraar wilde worden. Dan maar liever een aanstelling als volontair aanvaard op het  Fonetisch Laboratorium onder Dr. Louise Kaiser. Van vrijwilliger werd Jo daar medewerker, betaald uit een werkloze-hoofdarbeidersfonds van de gemeente Amsterdam. In concreto betekende dat meewerken aan het onderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders, te beginnen in wat al droog lag, de Wieringermeer. De gedachte die aan het onderzoek ten grondslag lag, was dat er in zo’n nieuw gebied een soort mengdialect zou ontstaan waarvan men de ontwikkeling op de voet zou kunnen volgen. Jo’s bijdrage bestond erin om samen met twee assistenten de algemene spraakeigenschappen van de drieduizend inwoners van de Wieringermeer op persoonskaarten vast te leggen. De resultaten daarvan werden gepubliceerd in Phonotypologische beschrijving van de bevolking der Wieringermeer I.: Algemeen gedeelte,  Samsom  1940. Tegelijk werkte ze ook mee aan het onderzoek van het dialect van Urk, als onderdeel van een grote studie over dat eiland en zijn  bewoners, die in 1942 verscheen. Ze had daarin het persklaar maken van de woordenlijst, de klankleer en de vormleer voor haar rekening genomen en de beschrijving van de klederdracht. In 1990 verscheen een herdruk van haar taalkundige aandeel.

Het veldwerk dat Jo in die vooroorlogse periode verrichtte heeft haar de vaardigheden bijgebracht waar ze later zoveel profijt van heeft gehad: het leren verstaan van dialect en uitspraaknuances. In haar eigen woorden: ‘de weken en maanden in de Wieringermeer hebben van mij de dialectoloog gemaakt die ik ben geworden’  (Daan 2000, p. 17). Die dialectoloog was, anders dan haar latere directeur, P.J. Meertens, van mening, het zal niet verbazen, dat dialecten in de eerste plaats gehoord moesten worden.

Inmiddels was ze, in januari 1939, door Drs. Meertens,  aangesteld als assistente-voor-halve-dagen aan het Bureau der Dialectencommissie. Haar eigenlijke werk bestond in het ontwerpen en tekenen van taalkaarten voor wat de Akademiereeks ging heten in de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland, dit ter onderscheiding van de kaarten die in Leiden onder supervisie van G.G. Kloeke werden ontworpen. Haar eerste kaarten, waaronder die van de uitspraak van het meervoud ganzen, zijn in 1942 ontstaan. Overigens verscheen in 1940 al een artikel ‘Taalkaart buik en kuit in Onze Taaltuin wat erop duidt, dat ze toen al bezig was met die taalkaart die deel ging uitmaken van aflevering 4 van de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland. In totaal heeft ze voor die atlas vijftien kaarten gemaakt.

Het onderzoek in de Wieringermeer had uitgewezen dat het noodzakelijk was ook de taal van de gebieden eromheen te onderzoeken. Op een voorstel van professor Jac. van Ginneken om dat te gaan doen ging Jo graag in. Ze koos het eiland Wieringen als haar werkgebied. Ze verbleef er regelmatig enkele weken om materiaal te verzamelen en maakte er intussen ook vrienden voor het leven. Zo heb ik, zei ze, uiteindelijk mijn beste vrienden te danken aan mijn grootste vijand, dat was diezelfde Van Ginneken. Waarom ze hem zo noemde, is niet duidelijk. Toch niet omdat hij haar eens ‘een brutale Amsterdamse meid’ noemde. Want in haar Geschiedenis van de dialectgeografie én in haar autobiografische aantekeningen wordt dit citaat te vaak aangehaald om niet de gedachte te wekken dat ze er een geuzennaam in zag, waar ze trots op was. Overigens klonken Jo’s woorden meestal zwaarder dan ze bedoeld waren. Ik heb haar bijvoorbeeld heel wat keren horen zeggen dat ze ‘heel boos’ was, maar dat heeft op mij, ook in de tijd dat ze mijn baas was, nooit enige indruk kunnen maken, omdat het zo duidelijk niet diep zat.

Wieringen werd het onderwerp van haar promotie-onderzoek. Al van begin af besloot ze niet alleen de taal van het eiland vast te leggen maar ook al het andere dat daar zo nauw mee verweven is: cultuur in de ruimste zin (bijv. ook namen en klederdracht) en geschiedenis, in het besef overigens dat een dissertatie voor zo’n omvangrijke onderneming niet toereikend is. Opmerkelijk, omdat dat in die tijd hoogst ongebruikelijk was, was haar besluit om het boek te verdelen in een deel dat bestemd is voor een meer algemeen publiek en een tweede gedeelte dat zich in de allereerste plaats richt tot vakgenoten. Haar dissertatie vormt (onbedoeld) ook voorbeeld van het soort onderzoek dat Meertens graag verricht zag worden aan zijn Bureau: een synthese van de verschillende disciplines, volkskunde, dialectologie en naamkunde. Jo promoveerde op 6 juni 1950 aan de Universiteit van Amsterdam, bij prof.dr. W. Gs. Hellinga.

Al twee jaar vóór haar promotie (in 1948) was haar eerste publicatie in boekvorm verschenen: Hij zeit wat. Grepen uit de Amsterdamse volkstaal, in de serie De wijze Jacob, bij Jacob van Kampen te Amsterdam. Een jaar later verscheen al een tweede druk van het boekje. Met de derde druk (uit 1993) heeft ze geen bemoeienis gehad. Hij zeit wat is een op luchtige toon geschreven verhandeling over allerlei Amsterdamse taalkenmerken. Opvallend is dat ook haar tweede publicatie, dat is dus die dissertatie, een tweede druk gehad heeft, in 1981.

Haar lust om populariserend te schrijven heeft diverse artikelen opgeleverd, die dat door hun titel al verraden, als ‘Is “zoenen” beschaafd?’ dat in 1955 verscheen bij gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Dialectenbureau. Een plezierige luchtigheid is trouwens in meer van haar titels en artikelen aan te wijzen. Een paar voorbeelden: ‘De prof groef een put’; ‘Ik was te bissie’; ‘Als niet komt tot iet…’.

Er openden zich voor de fonetisch geschoolde dialectonderzoeker die Jo was, nieuwe perspectieven door de komst van de bandrecorder. Eerder waren er al wel opnames van spraak gemaakt o.a. door Dr. Kaiser, maar dat gebeurde toen nog op glasplaten met laklaag en met behulp van een kolossaal instrumentarium. Voor dialectonderzoek op locatie was de moderne bandrecorder een uitkomst, al was die aanvankelijk nog wel zo zwaar dat hij zonder auto niet vervoerbaar was.

In het kader van haar werk voor het deel Noord-Holland in de Reeks Nederlandse Dialectatlassen begon Jo in 1951 met haar eerste opname, nog met pen en papier, van het dialect van het eiland Vlieland, kennelijk met de gedachte het beste eerst maar de verste locatie genomen. Maar vanaf omstreeks 1960 maakte ze bij haar opnames gebruik van de bandrecorder. Ze was daarmee de eerste van de medewerkers aan die reeks die dat nieuwe medium gebruikte. Het resultaat van haar expedities, want die naam mogen die opnametochten naar al die Noord-Hollandse dorpen gevolgd door vele uren transcriptiewerk wel hebben, verscheen in 1969 onder de titel  Dialektatlas van Noord-Holland.  Een monumentaal werk dat z’n waarde nog elke dag bewijst. Het bevat de fonetische transcriptie van ruim 140 zinnen vertaald in het dialect van 60 plaatsen.

Van blijvende betekenis voor de dialectologie is ook de kaart die Jo ontworpen heeft voor de Atlas van Nederland en die ook bijgevoegd is bij de publicatie Van Randstad tot Landrand. De indeling van de dialecten op die kaart is een cartografisch novum in de dialectgeografie door het gebruik van in elkaar overlopende kleuren om de verglijdende verschuiving in dialectverwantschap te illustreren. Maar ook door de opzet van de kaart is die de eerste in zijn soort. De indeling in dialectgebieden is namelijk niet gebaseerd op door dialectologen vastgestelde grenslijnen, maar op de (intuïtieve) kennis van de dialectsprekers over de verwantschap van hun eigen dialect met de dialecten uit hun omgeving. Op grond daarvan konden er grenslijnen getrokken worden die later de begrenzing van een kleurnuance werden. Er vindt geen discussie over dialectindeling plaats zonder dat Jo’s kaart daar een prominente rol in speelt.

Vanaf 1956  tot en met 1989 maakte Jo deel uit van de redactie van Taal en Tongval. Hoewel ze ook daarvoor al had bijgedragen nam haar productie sinds dat jaar aanzienlijk toe. Opvallend is daarbij het grote aantal recensies. Het lijkt wel alsof ze zowat alles besproken heeft wat er op het gebied van de dialectologie in Nederland verschenen is. En dan die tientallen lezenswaardige bladvullingen met taalweetjes en taalnieuwtjes. Bij haar afscheid als redacteur werd ze door haar mederedactieleden (allen mannen!), niet zonder reden, geprezen als de actiefste medewerkster [sic!] van het tijdschrift.

Op initiatief van de Dialectencommissie van de Koninklijke Akademie begon Jo in 1964 samen met haar medewerkster Mariet J. Francken aan wat de Atlas van de Nederlandse klankontwikkeling (ANKO) ging heten en waarvan de eerste aflevering in 1972 verscheen, de tweede in 1977. De bedoeling van de atlas en het bijbehorende commentaar was een hulpmiddel te bieden bij de studie van de Nederlandse klank-geschiedenis-in-de-ruimte. De kaarten laten zien waar de uitspraakvormen van de verschillende  klinkers voorkomen. Die uitspraakvormen vertegenwoordigen elk een ontwikkelingsfase van de oorspronkelijke klinker. De uitvoering van de kaarten is van dien aard dat ook een algemeen publiek er met vrucht en plezier kennis van kan nemen. Dat dat laatste ook inderdaad gelukt is, bewijzen de talrijke publicaties waarin kaarten uit de ANKO worden overgenomen.

Jo heeft ook steeds belangstelling gehouden voor de volkskunde. Daarvan getuigen haar twee publicaties over het poëzie-album, één in de serie AO-boekjes, voor een breed publiek, de andere in het vaktijdschrift Volkskunde, beide in 1965.  Jo als filoloog komen we tegen in haar publicatie van G.A. Bredero’s Kluchten in 1971, nadat al eerder (in 1963) haar succesvolle editie van de Klucht van de Koe was verschenen, die vier drukken zou beleven.  O.a. over Bredero heeft Jo jarenlang les gegeven aan de Rotterdamse MO-B-opleiding voor neerlandici; gedurende vijftien jaar verzorgde ze vanuit het Bureau colleges dialectologie voor neerlandici.

Onvindbaar in een bibliografie, maar zeker het vermelden meer dan waard is Jo’s  medewerking aan het radiospelletje ‘Wie brengt me thuis’ dat onderdeel was van het amusementsprogramma Steravond van de NCRV-radio. Het werd uitgezonden in de jaren vijftig en was toen heel populair. Jo’s taak bestond erin van een dialectsprekende deelnemer te raden of beter te concluderen waar die vandaan kwam. In mijn herinnering, die natuurlijk gekleurd is, was Jo daar fenomenaal in. Kon ook niet anders na zo’n leerschool in de Wieringermeer. De medewerking aan dat radioprogramma illustreert ook Jo’s waardering, ja liefde, voor dialectsprekers. De neerbuigende houding tegenover dialectsprekers die ze nogal eens aantrof bij randstedelingen was haar een gruwel. Ook de correspondenten van het Bureau, de meeste zelf ook dialectspreker, stonden bij haar hoog in aanzien. Ze liet niet na dat ook op elke Correspondentenbijeenkomst te benadrukken. ‘Zonder U zijn we nergens’.

Jo was een sociaal voelend mens. Niet alleen haar respectvolle houding tegenover dialectsprekers getuigt daarvan, ook haar vermogen om zich te verplaatsen in andere mensen, zoals de negentiende-eeuwse Nederlandse emigranten naar Amerika (‘die mensen moeten doodongelukkig geweest zijn’). Ze zag dan onmiddellijk de parallel met de hedendaagse immigranten in Nederland en hun problemen. Meermalen bewees ze haar sociale inslag ook metterdaad. Die Nederlandse emigranten en hun geschiedenis had ze in 1966 leren kennen toen ze een studiereis ondernam naar de Verenigde Staten om daar op de valreep van uitsterven de restanten van het Nederlands bij hun nakomelingen op band vast te leggen. Het boek Ik was te bissie (1987) is uit die onderneming voortgekomen.

Haar hele leven is Jo auto blijven rijden. Al voor de oorlog had ze haar rijbewijs, wat van weinig vrouwen gezegd kan worden. Niet onvermeld mag blijven dat de mannen in haar naaste werkomgeving nooit een rijbewijs hebben gehad, Meertens uit onvermogen, Voskuil uit onwil. Jo had bij haar dood nog een rijbewijs dat geldig was tot 2006. De auto is in heel wat fasen van haar leven een uitkomst geweest, eerst voor haar enquêteringswerk in plaatsen die met openbaar vervoer vaak nauwelijks bereikbaar waren, zeker als daar nog het transport van toen nog zware apparatuur bij kwam. Toen ze vóór haar pensionering al in haar nieuw gebouwde bungalow in Barchem (Gelderland) ging wonen, was de auto het middel om het werk in Amsterdam te blijven doen. Ze was een resolute chauffeur en reed meestal op het randje van de toegestane snelheid en vaak eroverheen, uit gewoonte om de tien procent speelruimte in snelheid te nemen die volgens haar elke kilometerteller de autorijder immers bood.

In 1994 heeft ze na een langdurige periode van bedlegerigheid in het ziekenhuis een contractuur (een spitsvoet) opgelopen, waardoor  haar leven ernstig werd  beïnvloed: ze was invalide geworden en kon niet meer zelfstandig lopen. Dankzij de auto heeft haar macro-mobiliteit daar nauwelijks onder geleden. Ze verscheen overal waar ze wezen wilde. In het dagelijkse leven thuis heeft ze veel meer last gehad van haar handicap, maar dat had toch opvallend weinig invloed op haar humeur, misschien vooral door haar vermogen om regelmatig ‘ontzettend boos’ te worden op de personen die haar dat hadden aangedaan, want inderdaad, waarschijnlijk was die contractuur door goede zorg te voorkomen geweest. De laatste tien jaar van haar leven was ze aangewezen op rolstoel en rollator en wat dies meer zij. Ze had op het laatst een heel wagenpark. Maar ook toen deed ze dankzij de auto nog zelf haar boodschappen.

Jo komt in de romanserie Het Bureau van J.J. Voskuil voor onder de naam Dé Haan. Ze heeft met die rol veel moeite gehad en er zich ook op allerlei manieren tegen afgezet. Ze vond dat het beeld dat daarin van haar gegeven werd, want zo interpreteerde ze de figuur Dé Haan wel, zoals de meeste lezers trouwens, niet juist was. Niet iedereen deelde die mening, maar het tekent haar wel dat ze graag aardig gevonden werd en dat ze niet die bitse tante wilde zijn die ze in dat boek was. Ze gaf voor haar vinnige optreden de verklaring dat ze zich altijd staande moest houden in een mannenwereld. ‘Veel later heb ik me pas gerealiseerd dat [ik] mezelf heb moeten doorduwen in die mannenwereld’. Daar was in elk geval één iemand het wel mee eens, J.J. Voskuil!: ‘Dé Haan vond ik bijvoorbeeld niet aardig, maar zij reageerde achteraf gezien, als iemand die in het nauw zat. Als vrouw in een mannenwereld sloeg zij van zich af.’ (Heymans 2000,  p. 52). Gaandeweg  heeft Jo die wereld naar haar hand weten te zetten toen ze dankzij een ruimer budget in staat was nieuwe medewerkers aan te trekken. Dat waren in het begin allemaal mannen, maar wel jonge mannen, en dat maakt natuurlijk groot verschil. Jo voelde zich tussen deze mannen als een moeder met haar jongens. Een man als levenspartner heeft ze nooit gehad. Doordat de man van haar keuze onbereikbaar was, is ze haar leven lang alleen gebleven.

In de levenstijd na haar pensionering (in 1975) die ruim dertig jaar zou duren, is Jo volslagen gehecht geraakt aan de computer. Haar verknochtheid eraan, maar ook het geworstel ermee zijn legendarisch. Verbazingwekkend dat iemand van haar generatie zou vertrouwd kon worden met dat apparaat en zijn mogelijkheden. Ik denk dat er honderden adressaten van haar mails in binnen- en buitenland zijn die daarvan kunnen getuigen. Welke negentigjarige verricht er nu zijn girobetalingen per Internet? Of begint er nog een website? Ook dat was Jo Daan.

Haar geregelde bijdragen in deze periode over actuele zaken in het populariserende tijdschrift Onze Taal bewijzen dat Jo de ontwikkelingen van het Nederlands op de voet volgde. Aan haar artikelen in het regionale tijdschrift den Schaorpaol is af te lezen dat ook het dialect van de streek waar ze woonde, haar boeide. Veel belang hechtte ze aan haar laatste publicatie in boekvorm de  Geschiedenis van de dialectgeografie in het Nederlandse taalgebied, die in 2000 verscheen. In de eerste plaats geeft het boek haar visie weer op de ontwikkeling van de dialectgeografie in Nederland. Maar  het is ook een boeiend en vaak amusant verslag van de controverse tussen professor G.G. Kloeke en professor Jac. van Ginneken, waarbij haar sympathie uiteraard uitgaat naar de eerste; de ondertitel van het boek luidt niet voor niets:  ‘rondom Kloeke en het Dialectenbureau’. Ook haar relatie tot Meertens komt uitgebreid aan de orde, waarbij de lezer wel eens haar zelfgekozen motto ‘Herinnering is feit en fictie tegelijk’ door het hoofd schiet.

Een glorievolle en memorabele gebeurtenis was haar oppositie bij de promotie van Wilbert Heeringa in Groningen op donderdag 8 januari 2004. Haar verschijning daar en haar optreden wekten algemene bewondering en dwongen respect af. Ze was toen drieënnegentig jaar. Een maand later, op zondag 15 februari, sprak ze,  buiten gezeten in haar rolstoel, in het tv-programma Buitenhof een column uit, Norm van de dag, met deze opmerkelijke regels:

‘In een multiculturele samenleving moeten beleefdheidsnormen van de heersende cultuur gevolgd worden. In ieders eigen omgeving mogen andere normen gelden. Rechters zetten hun baret af in de rechtzaal; koningin Beatrix heeft een hoed op bij het uitspreken van de troonrede. Maar in de klas is de norm: geen hoofddeksel.  Je hangt je pet of muts bij je jas in de gang. Als je een hoofddoekje draagt hang je dus dat hoofddoekje bij je jas in de gang.’

Nog in januari 2006 liet ze zich naar Amsterdam rijden, naar het Meertensinstituut, om daar een oude kennis te ontmoeten, de bekende sociolinguïst professor William Labov, met wie ze kennis had gemaakt tijdens haar bezoek aan Amerika in 1966. Ze had daar ook de revolutionaire methode Labov leren kennen, die hier later door een enthousiaste Jo Daan geïntroduceerd werd in haar artikel Taalsociologie in Intermediair (1972).  Dit  tweede bezoek  aan Labov is haar laatste publieke optreden geworden, misschien ook wel omdat Labov haar dit keer een beetje tegenviel. Toen ik haar op zaterdag 11 juni 2006 in het Deventer ziekenhuis bezocht, kon ik niet vermoeden dat ze de volgende dag zou overlijden.

*) Mijn oud-collega  Jaap de Rooij wijst me erop dat ik me hier vergis, want dat dat tutoyeren door Jo zelf pas omstreeks 1970 (en niet al in 1966) in gang gezet is.

Aantekeningen

Voor dit Levensbericht heb ik o.a. gebruik gemaakt van

Jo’s autobiografie in wording

D.P.Blok, ‘Jo Daan als dialectologe’ in Taal en Tongval, jrg. 27 (1975), blz.1-6.

J. Heymans, Lam naast Leeuw; over J.J. Voskuil, Baarn 2000

Zie verder:
http://www.meertens.knaw.nl/jo_daan

 

Voornaamste geschriften

Hij zeit wat. Grepen uit de Amsterdamse volkstaal, Amsterdam 1948; 2e dr.1949

Wieringer land en leven in de taal (diss. Universiteit van Amsterdam) 1950; Handelseditie: Alphen a/d Rijn. 2e dr.1981 Stichting ‘Oud.Wieringen’.

Toelichting bij de Taalatlas (bij aflevering 3 en 4) (met P.J. Meertens) Amsterdam 1963; 2e dr.1970. Geen geschriften maar wel publicaties zijn de 15 kaarten die Jo gemaakt heeft voor de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland.

Het poëziealbum, in  Neerlands Volksleven 15 (1965), p. 186-235

Van Randstad tot Landrand (met D. P. Blok) Amsterdam 1969; 2e dr 1970. [Met de befaamde indelingskaart en een grammofoonplaatje met dialectfragmenten]

Dialektatlas van Noord-Holland (nr. 13 in Reeks Nederlandse Dialektatlassen) 1969.

G.A. Bredero, Kluchten. Culemborg 1971.

Atlas van de Nederlandse klankontwikkeling (ANKO) (met M.J. Francken) afl. 1: Kaarten en tekst. Amsterdam1972; aflevering 2: Kaarten en tekst. Amsterdam 1977.

Onze veranderende taal (met Kas Deprez, Roeland van Hout en Jan Stroop). Utrecht/Antwerpen1985. Aula pocket 757.

Ik was te bissie. Nederlanders en hun taal in de Verenigde Staten. Zutphen 1987.

‘De taal van Aafje Gijsen als bron van het achttiende-eeuws’ in: Anno 1961 (speciale aflevering van  het Zaans cultuur-historisch tijdschrift, nr. 106 mei 1988).

Geschiedenis van de dialectgeografie in het Nederlandse taalgebied; rondom Kloeke en het Dialectenbureau. Amsterdam 2000.

Twitter
jan_stroop RT @vprogids: Poetin viert het niet, @AndereTijden wel: Andere tijden special: 100 jaar Russische revolutie, NPO2, 20.55 https://t.co/tTIEm
7hreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>