Het sceen teen moeste ghestorven sijn, tenslotte?

Eerder verschenen in Samengevoegde woorden; voor Wim Klooster bij zijn afscheid als hoogleraar, LSG Nederlandse Taalkunde, Amsterdam, blz. 239-243.

over regel 5 uit het Egidiuslied
Het gedicht waaruit de regel hierboven genomen is, behoort tot de bekendste Middelnederlandse gedichten. Het is het Egidiuslied, dat in de 14e eeuw geschreven werd door Jan Moritoen, althans volgens K. Heeroma in zijn uitgave van het Gruuthusehandschrift, waar het gedicht deel van uitmaakt (Heeroma, 1966).  Gerrit Komrij heeft het opgenomen in zijn De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de zestiende eeuw in duizend en enige bladzijden, waardoor het nog bekender geworden is (Komrij 1994). Het is dus van alle tijden, zou je kunnen zeggen. Iedere ontwikkelde Nederlander kent het. Maar of die Nederlander ook weet wat er in die vermaarde regel 5 precies staat, waag ik te betwijfelen. Temeer omdat zelfs de specialist Jo Reynaert aan de tekst in Komrijs bundel een vertaling toevoegt, die op zijn minst betwijfelbaar is en ook daadwerkelijk betwijfeld is, onder andere door Damsteegt; zie hier beneden.

Dit is het origineel:

Egidius, waer bestu bleven
Mi lanct na di, gheselle mijn.
Du coors die doot, du liets mi tleven.
Dat was gheselscap goet ende fijn,
Het sceen teen moeste ghestorven sijn.

 

Dit is de vertaling van Reynaert:

“Egidius, waar ben je heen;
Ik mis je, mijn vriend.
Je koos de dood, mij liet je =t leven.
Het was een goede, fijne vriendschap:
het leek wel even of de dood niet bestond.”

 

Reynaert zelf verwacht dat zijn vertaling van regel vijf  ‘veel lezers verrast [zal] doen opkijken’. In elk geval deze lezer, maar ‘verrast’ is wat mij betreft nog zacht uitgedrukt. Reynaert heeft een verantwoording van zijn vertaling gegeven in een artikel in Spiegel der letteren (1995, 213-217). Die heeft vooral betrekking op teen in regel 5, ‘een beruchte crux’ in het Gruuthuse-liedboek. ‘Crux’ betekent hier ook dat er al wat  interpretaties van gegeven zijn, maar dat ze geen van alle bevredigen. Die interpretaties zijn tot twee soorten terug te brengen. Reynaert somt ze op.

De ene interpretatie ziet in teen een samentrekking van t ‘een, te een, in de betekenis ‘tegelijk’, ‘samen’. Teen wordt dan opgevat als een combinatie van het voorzetsel te en het telwoord een. Dat levert een vertaling op als: Het leek wel of we samen moesten sterven (zo goed was de vriendschap).

In het tweede soort interpretatie, onder andere die van Heeroma, wordt teen opgevat als een terugverwijzing naar het voorafgaande vers. De vertaling wordt dan: Van wat een goed en edel gezelschap was, bleek de ene te moeten sterven.  Reynaert vervolgt: ‘Het onzijdige ‘t een heeft hier naar de betekenis met andere woorden betrekking op de overleden persoon. Dat ‘wringt’ op zijn minst.’ (214).  Reynaert bedoelt: je kunt ‘t ene niet naar een persoon laten verwijzen; dat staat de grammatica niet toe; die eist hier de ene Maar iets anders is dat Heeroma’s vertaling als zodanig uitstekend in de context van het lied past. Dus wat doe je dan. Kies je voor interpretatie of voor grammatica? De dichter Heeroma koos hier, afgaande op zijn intuïtie, voor het eerste, ook al betekende dat dat hij genoegen moest nemen met een grammaticaal niet te verklaren vorm teen voor ‘de ene’.

Het is duidelijk dat voor Reynaert de grammatica op de eerste plaats komt. Hij maakt bezwaar tegen Heeroma’s interpretatie omdat die de syntaxis moet forceren, door teen naar een persoon te laten verwijzen, om van de tekst de gewenste betekenis af te dwingen. Er staat bovendien ook al niet Van wat een goed en edel geselschap was” .  Overigens was de interpretatie die Heeroma gaf (Reynaert wijst erop) niet nieuw. In 1910 vertaalde Tinbergen de passage met: ‘Van de twee makkers die zo goed bij elkaar kwamen moest er blijkbaar één sterven’.  Ook deze vertaling past uitstekend binnen de context, maar dat doet ook de vertaling van Reynaert; zie boven. Het verschil tussen beide interpretaties is dat Tinbergen en Heeroma een tegenstelling waarnemen tussen regel  4 en 5: mooie vriendschap maar de dood kwam ertussen, terwijl Reynaert in regel 5 een nadere explicatie leest van regel 4: zo’n mooie vriendschap dat het leek dat de dood er nooit tussen zou komen.

Mooi gevonden van Reynaert en op het eerste gezicht grammaticaal te verantwoorden, al moet ook hij om zijn interpretatie waar te maken wel een kunstgreepje toepassen, namelijk aannemen dat de kopiist die teen schreef eigenlijk ten bedoelde, een geringe ‘fout’, volgens Reynaert, en begrijpelijk bij een kopiist die wel vaker een steekje laat vallen. Voor de juistheid van zijn veronderstelling dat hier eigenlijk ten moet staan, heeft Reynaert geen sterke bewijzen, dat concludeer ik tenminste uit zijn bewoordingen als hij schrijft  dat  ‘de grafie een voor en in Middelnederlandse handschriften wel meer [lijkt] voor te komen.’ En in noot 9: ‘Het probleem is natuurlijk dat zo’n grafie een (voor de negatie en) in moderne edities normalerwijs weggeëmendeerd zal zijn’.  Hij kan ook maar twee voorbeelden van zo’n ‘fout’ geven.

Op Reynaerts interpretatie is een reactie gekomen van B. C. Damsteegt (1996), die zijn bezwaar ondermeer richtte op het enkele en, dat als ontkenning fungeert in de zin. En staat namelijk zelden in zijn eentje te ontkennen; daar hoort meestal nog een tweede ontkennend woord bij, bijv. geen. Dat lijkt aardig geïllustreerd te worden door de zinnen die Reynaert citeert om de grafie een in plaats van en te adstrueren: ‘alsoe en moghe wij een gheen dinc coepen’. In zijn Weerwoord geeft Reynaert overigens voorbeelden van een enkel en als ontkenning; het kan dus wel[1].

‘Als men dan toch de grammatica wil hanteren als een restrictieve norm over wat in het Middelnederlands kon en niet kon,’ vervolgt Reynaert zijn repliek, ‘dan moet m.i. de vorm teen veeleer dan de enkele negatie bij moeste voor scepsis in aanmerking komen’.  Welnu scepsis heb ik beslist, maar die geldt Reynaerts verklaring van teen,  niet de vorm van dat woord.

Zolang ik het gedicht ken, is regel 5 voor mij in grammaticaal opzicht en ook wat zijn betekenis betreft, volkomen duidelijk geweest. Dat inzicht dank ik aan mijn moedertaal, het Westbrabants dialect. Overigens heb ik mijn visie op regel 5 eerder ook aan Damsteegt meegedeeld. Die heeft er in zijn genoemde reactie wel melding van gemaakt, maar neemt die niet van me over; hij kiest voor teen = te een ‘tesamen. Omdat  Reynaert er in zijn Weerwoord ook aan voorbijgaat, neem ik deze gelegenheidsbundel te baat om mijn interpretatie in extenso uiteen te zetten en aan te bieden aan de syntacticus Wim Klooster.

Het Westbrabants in zijn oudere vorm kent een partikel at, dat ook bekend is in andere delen van het Nederlandse taalgebied, onder andere in West-Vlaanderen (De Rooij 1965, 170), dus ook in het gebied waar de schrijver van het gedicht vandaan komt. Voor de duidelijkheid: een partikel is geen voorzetsel, het regeert dan ook geen naamval. Het heeft een onderschikkende functie in ruime zin. Soms fungeert het als subordinerende conjunctie, soms dient het alleen als een versterking van een relativum. Ik geef eerst enkele  voorbeelden, waarin niet met allerlei assimilatieverschijnselen rekening gehouden is. De zinnetjes  1a tot met 3a geven met andere woorden de fonologische, niet de fonetische vorm van at en het woord dat erop volgt:

1a) De vrouw die at daar aankomt is mijn tante Jeanne

2a) Ik geloof at ie ziek is.

3a) Ik weet niet met wie at ze meekomt

4a) Ik weet niet wie at vaders kent
(‘ik weet niet wie vader (object!) kent’)

In bepaalde soorten Nederlands wordt de conjunctie of op een vergelijkbare manier gebruikt: De vrouw wie of daar loopt. Behalve in verschillende, zij het verwante functies, kon at in het Westbrabants en andere zuidelijke dialecten ook in verschillende gedaantes voorkomen, als gevolg van fonologisch/fonetische regels. In de eerste plaats in zijn volledige vorm at:

2b) Ik geloof attie (< at+ie) ziek is.

Dan zijn er gevallen waarbij de t niet uitgesproken wordt, maar waarbij die ‘onderliggende’ t wel voor assimilatie van stem bij de volgende continuante consonant zorgt: de z die stemhebbend is, wordt stemloos, dus een s, en de v wordt een f:

3b) Ik weet nie mee wie a se meekomt (vgl. zin 3)

4b) Ik weet nie wie a faders kent   (vgl. zin 4)

Deze assimilatie treedt op zelfs wanneer at helemaal niet present is:

3c) Ik weet nie mee wie se meekomt

4c) Ik weet nie wie faders kent

Een laatste geval van assimilatie betreft die van een volgende niet-continuante consonant (een plosief):

1b) De vrouw die attaar aankomt (vgl. zin 1)

En ook in dit geval gaat de assimilatie door ook als er van het partikel als zodanig niets aan de oppervlakte komt:

1c) De vrouw die taar aankomt

Omdat dit laatste geval de sleutel tot de verklaring van teen in regel 5 van het Egidiuslied levert,  geef ik nog wat voorbeelden uit het Westbrabants:

5) >T scheen teerste een beker zou krijgen

(het scheen dat de eerste een beker zou krijgen)

6) >T scheen teen harder liep als de andere

(het scheen dat de een harder liep als de andere)

De vorm teen in zin 6 is aldus te analyseren: at de een > atteen > teen. De t van teen in zin 6 en in de Egidisregel 5 is de door ‘onderliggende’ at stemloos geworden d van het bepaalde lidwoord de. Voorbeelden van het tot t worden van zo’n d door een t die er zelf niet aanwezig is, zijn ook volop te vinden in de Westvlaamse dialecten. Taeldeman geeft voor het Gents de voorbeelden: wat doe je > wa toe de; niet veel > nie feel (Taeldeman 1985, 158-159).

Bewijzen dat het partikel in de Westvlaamse dialecten een normaal verschijnsel is, levert kaart VII in De Rooijs dissertatie. Het is niet aannemelijk dat dit partikel in die dialecten een nieuw verschijnsel is, integendeel het is tegenwoordig op zijn retour maar dat betekent omgekeerd dat het in het verleden veel gewoner was dan tegenwoordig. Het is ook meer dan waarschijnlijk dat het in gesproken taal, altijd veel freqenter geweest is dan in schrijftaal. ‘We [hebben] hier met typische spreektaalvormen te maken […], die zelden op schrift aan de dag zullen treden’ (De Rooij 1965, 173).

De assimilatie van t + d > t is in het Nederlands van de schrijver van het Egidiuslied heel gewoon. In normale gevallen luidt het pronomen van de tweede persoon enkelvoud in het gedicht in subjectsfunctie du; zie regel 3: Du coors die doot, maar wanneer er een t voorafgaat wordt de d van du geassimileerd en verschijnt er een t: best + du > bestu, volgens dezelfde regel als die waardoor (t) + d’een wordt tot teen.

Het is niet de eerste keer dat Heeroma, in commissie overigens zoals we zagen, tenslotte toch gelijk krijgt. Zijn intuïtie heeft hem ook ditmaal niet bedrogen. Ook al moest hij de grammaticale argumenten schuldig blijven, zijn interpretatie is de enig juiste. De ‘onderliggende’ vorm van regel 5 van het Egidiuslied is deze:

Het sceen at de een moeste ghestorven sijn. Door assimilatie wordt dat:  Het sceen atteen moeste ghestorven sijn. Dan wordt de t gedeleerd en verdwijnt de a als gebruikelijk voor een medeklinker: Het sceen teen moeste ghestorven sijn. Al deze stappen komen in de zuidelijke dialecten voor en zijn daar zelfs heel gewoon (Stroop 1987). En de regel betekent dus: Het bleek dat de een moest sterven. Ik prefereer hier bleek, een betekenis die het Middelnederlandse schinen bij negatieve ervaringen gewoonlijk uitdrukt (Middelnederlandsch woordenboek s.v. schinen, 4).

Wat Heeroma blijkbaar ook niet wist, was dat er een at in het spel was, veel minder nog dat dat at in het Westvlaams nog een andere betekenis kan hebben namelijk die van ‘of’ (De Rooij 1965, 170). Ook die betekenis levert een zinnige interpretatie op, misschien wel de beste:

Het leek wel of de een moest sterven.

Bij beide interpretaties tenslotte blijken de drie beklemtoonde lettergrepen achter elkaar : scheen téén moeste ghestorven sijn, bijzonder functioneel te zijn: juist het zware accent op teen geeft dat woord een extra dramatische lading: het bleek dat de één moest sterven.

Literatuur

  • Damsteegt, B.C (1996). De interpretatie van vs. 5 van het Egidiuslied: een tweede visie. Spiegel der Letteren 38, 177-183, met een Weerwoord van J. Reynaert.
  • Heeroma, K. (1966). Liederen en gedichten uit het Gruuthuse-handschrift, met medewerking van C.W.H. Lindenberg, deel 1, Leiden: E.J. Brill.
  • Komrij, G. (1994) . De Nederlandse poezie van de twaalfde tot en met de zestiende eeuw in duizend en enige bladzijden [samengest. door], Amsterdam: Bakker.
  • Reynaert, J. (1995). Het sceen teen moeste ghestorven sijn (Klaaglied om Egidius, V. 5). Spiegel der Letteren 37, 213-217.
  • Rooij, J. de (1965). Als – of – dat. Een semantisch-onomasiologische studie over enkele subordinerende conjuncties in het ABN, de Nederlandse dialecten en het Fries, vergelijkend-synchronisch beschouwd. Assen: Van Gorcum.
  • Stroop, J. (1987). Enclitische verschijnselen in het Westbrabants. Taal en Tongval 39, 121- 140.
  • Taeldeman, J. (1985)De klankstruktuur van het Gentse dialekt, Gent: Rijksuniversiteit te Gent.

[1] Deze informatie heb ik van Ton Duinhoven, die me nog enkele andere waardevolle suggesties gegeven heeft.
Voor de hierop gevolgde discussie klik hier
Neerlandistiek.nl, scrollen naar jaargang 2001

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
jan_stroop @Taalpost 't Dialect van Èrel (Herel, Heerle in West-Brabant) wordt ook gewoon genegeerd, hoor!!
11hreplyretweetfavorite
jan_stroop RT @fonolog: Ik liep toevallig vanavond langs deze bus toen er allerlei mensen uit kwamen rennen: "He has a gun!" https://t.co/S9Ob10MsBJ
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>