De onstuitbare opmars van ’t Poldernederlands

 

weergave van mijn presentatie op de Conferentie  Het Schoolvak Nederlands, Zwolle, 25 november

 

“Nou je ’t zegt”. Dat is de reactie die ik vaak krijg als ik iemand een spraakfragment laat horen en zeg waar ie op moet letten. Als je ’t weet, ga je ’t horen, blijkbaar. Daarom was ’t welhaast een wonder dat ik op 4 mei 1997 bij de Dodenherdenking zonder voorkennis een soort Nederlands hoorde dat opviel en dat ik bij die plechtigheid niet verwacht had. ’t Contrast tussen de plechtigheid en ’t Nederlands dat ik hoorde was verbijsterend, voor mijn toenmalige oren. “Omdat taaid wel voorbaai kan gaan maar nooit is voltooid”.

 

Toen ik er, op zoek naar een onderwerp voor een spreekbeurt, eens beter op ging letten, hoorde ik ’t veel vaker, die aai voor ei/ij. In ’t programma ’t Blauwe Licht bijvoorbeeld en in De Plantage van Hanneke Groenteman. En in cabaretliedjes als ‘Blaaif baai maai’. Ook de andere tweeklanken ui en ou begonnen aa-achtig, hoorde ik. Ik gaf ’t verschijnsel een naam: Poldernederlands.

 

Maar ja, ’t waren indrukken en die tellen wel in de media maar niet in de wetenschap. Gelukkig had de foneticus Vincent van Heuven te Leiden wel zin om wetenschappelijk naar de opnames van die programma’s te kijken en ze te analyseren. Zijn uitkomsten deden me veel genoegen: inderdaad is er een verlaging van de tweeklanken, inderdaad doen vrouwen ’t meer dan mannen en inderdaad ook de lange klinkers worden mee omlaag getrokken.

 

Over mijn andere aanname deed hij geen uitspraak; die ligt ook niet op zijn terrein, want die aanname heeft iets met sociologie te maken. Ik ben namelijk van mening dat die veranderende uitspraak die bij vrouwen begonnen is, alles te maken heeft met de maatschappelijke veranderingen die zich in de jaren 1960-70 voordeden, en waarvan vrouwen ’t meest profiteerden. Die trokken zich steeds minder aan van allerlei regels van ‘wat hoort’. Zo werd ook ’t klassieke ABN onbewust slachtoffer van hun gerebelleer.

 

Dat leidde ertoe dat de spreeksters, altijd hoogopgeleide vrouwen of studentes, de drie tweeklanken, ei, ui en ou, niet meer zo zorgvuldig articuleerden als voorheen gebruikelijk was. Gevolg was dat de aanzet van de tweeklanken met een meer open mond gesproken werden, waardoor die in de buurt van de aa kwam: aai, aai en aau. Niets bijzonders eigenlijk want dezelfde ontwikkeling hebben ’t Duits en ’t Engels ook doorgemaakt. Denk aan de uitspraak van ’t Engels: wine, house, en ’t Duits: Wein, Haus.

 

 

Wat wel bijzonder en uniek is, is dat die ontwikkeling zich in ’t Nederlands niet als in ’t Duits en ’t Engels al in de 16e en de 17e eeuw voltrokken heeft, maar pas in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw. Dat wil zeggen niet in de Standaardtaal die toen in wording was. In een aantal Hollandse dialecten had die verlaging wel doorgezet.

 

Voornaamste oorzaak dat die ontwikkeling in de Standaardtaal niet plaats had, is een kwestie van taalpolitiek geweest. De grammatici en schrijvers, die zich in de 16e en 17e eeuw met de opbouw van de nieuwe standaardtaal bezighielden, keurden die aai in klaain (klein), kaai (kei) nadrukkelijk af. Ze vonden die aai plat en boers, omdat ze die hoorden in de Hollandse dialecten.

 

Of zoals Christiaen van Heule ’t in 1612 in zijn Nederduydsche spellinge formuleerde: “Dat nu zommige inde plaetze van ey, hey, key, ley, etc. stellen ende voor goed achten ay, hay, kay, lay, etc. mag kommen duer hare wijd-gapige uyt-sprake, die wy in ons zoo niet en bevinden: achtende ook voor bequamer, datmen de zoetigheyd altijd boven de hardigheyd plaetze geve, inzonderheyd als ‘t niet en strijd tegen het meerderen-deel onzer Nederlandsche uyt-sprake.”

 

(In vertaling: ‘Dat sommigen nu in plaats van ey, hey, key, ley, enzovoort ay, hay, kay, lay, enzovoort schrijven en goed vinden, komt mogelijk door hun wijde uitspraak, die wij bij onszelf zo niet hebben waargenomen. We vinden ’t ook beter is dat men ’t aangename laat prevaleren boven ’t harde, vooral als dat niet in strijd is met ’t grootste deel van onze Nederlandse uitspraak.’)

 

Dat tegenhouden van de verlaging van de tweeklank ei, over verlaging van ui en ou zwijgen de grammatici, is een van de weinige gevallen van succesvol taalbeleid, want tot de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw bleef de uitspraak onveranderd die van de klassieke ABN-tweeklank. Pas toen zich op grote schaal maatschappelijke veranderingen voltrokken, kon de verlaging alsnog doorzetten. Opmerkelijk is dat de verschijnselen van ’t Poldernederlands zich alleen voordoen in ’t Nederlandse Nederlands, niet in ’t Vlaamse.

 

Een geslaagde taalverandering blijkt twee oorzaken te hebben, een interne, die inherent is aan ’t taalsysteem, bijvoorbeeld de (universele) neiging om een lange klinker of tweeklank te verlagen, en een externe: de acceptatie van de verandering door de taalgemeenschap.

 

Of de acceptatie van ’t Poldernederlands een blijvend karakter heeft, is in 1999 en daarna onderzocht door de sociolinguïst Renée van Bezooijen. Ze heeft een Luistertoets opgesteld met vier soorten Nederlands, waaronder ’t Poldernederlands. De anonieme geluidsfragmenten werden voorgelegd aan vier groepen luisteraars, jongere vrouwen, oudere vrouwen, jongere mannen, oudere mannen. De opdracht was de fragmenten te beoordelen in de termen: plat – ABN, afwijkend – normaal, ouderwets – modern, lelijk – mooi, slordig- verzorgd en niets voor mij – echt iets voor mij.

 

Een van de uitkomsten van ’t onderzoek dat ze samen met Rob van den Berg (2001) heeft uitgevoerd, luidt: “the younger females place Polder Dutch above the Randstad accents. Again the young women are found to hold a more positive attitude towards Polder Dutch than the other listeners”

 

Van Bezooijen (1999) concludeert voorzichtig: “Voorlopig houden we het erop dat het Poldernederlands vooral in de Randstad onder vrouwen in opmars is, ten koste van het ABN.”

 

Die voorspelling lijkt anno 2017 wel uitgekomen te zijn. ’t Is al zo gewoon geworden, dat Poldernederlands, je hoort ’t overal: bij vrouwelijke hooggeleerden, presentatoren en Zomergasten, politici, maar ook gewone mensen, waaronder leraren Nederlands, al dan niet gelauwerd door de Taalstaat.

 

Literatuur, e.d.

Bezooijen, Renée van, and Rob van den Berg (2001). “Who power Polder Dutch? A perceptual-sociolinguistic study of a new variety of Dutch”. In:  Linguistics in the Netherlands 2001 (eds. Ton van der Wouden and Hans Broekhuis, Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins Publishing Company ), p. 1-12. (http://www.jbe-platform.com/content/journals/10.1075/avt.18.04bez; (klik op PDF)

 

Heuven, Vincent J. van , Loulou Edelman, Renée van Bezooijen (2002), The pronunciation of /Ei/ by male and female speakers of avant-garde Dutch (referaat TIN-dag, Utrecht, 26 januari 2002)

 

Jacobi, Irene (2009).  On variation and change in diphthongs and long vowels of spoken Dutch; doctoral thesis University of Amsterdam, 2009.
(met een Nederlandse samenvatting)

 

Stroop, Jan (1998). Poldernederlands; waardoor het ABN verdwijnt (Amsterdam: Prometheus) (http://www.dbnl.org/tekst/stro008pold01_01/).

 

http://cf.hum.uva.nl/poldernederlands/index.html

 

Actueler en met geluidsfragmenten:

http://www.janstroop.nl/poldernederlands/

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
jan_stroop RT @EenVandaag: Volgens Klaas van Egmond, oud-directeur van het Milieu- en Natuurplanbureau, wordt er door het oprekken van geluidsnormen t…
jan_stroop RT @EenVandaag: "Omwonenden van Schiphol worden radeloos, dat kun je je wel voorstellen", zegt researchredacteur @Jan_Salden. "Het is funes…
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>