Twee meervouden die het niet zijn

over hersens/hersenen en mazels/mazelen
eerder verschenen in 
B. van Bakel e.a. (red.), Zin dat het heeft; een liber amicorum voor Jan van Bakel, Nijmegen 1993, blz. 55-65


Inleiding

Van de namen die er in het Nederlandse taalgebied voorkomen voor de kinderziekte `mazelen’, is het woord mazelen zelf uit morfologisch oogpunt op een heel speciale manier erg interessant. In de naam mazelen komt tot uitdrukking dat de ziekte zich ondermeer en het opvallendst uit, doordat de huid een groot aantal vlekjes vertoont; het woord is meervoudig, maar met de kanttekening dat mazelen een plurale tantum geworden is: het enkelvoud waar het woord van gevormd is, masel (De Vries-De Tollenaere 1991, p. 243), bestaat niet meer.

De groep zgn. pluralia tantum neemt in de geschiedenis van het Nederlands een bijzondere plaats in. Het zijn woorden met min of meer een meervouds-betekenis en steeds een vorm die als meervoud herkenbaar is: aanstalten, bescheiden, ingewanden, kosten, inkomsten, omstreken, enz. (zie ANS 37). Dat impliceert in de meeste gevallen de vorming van een meervoud op basis van een enkelvoudsvorm. Als dat enkelvoud niet meer bestaat is het procédé een zaak van diachronie geworden. Men kan zich zelfs in de meeste gevallen afvragen of er, net als bij mazelen, wel een enkelvoudsvorm als zodanig bestaan heeft. Opvallend is verder dat de overgrote meerderheid van de pluralia tantum een meervoud op -en hebben en dat maar enkele een vorming op -s kennen: gebroeders en gezusters. Er zijn verder nog twee gevallen met twee meervoudsvormen: mazelen naast mazels en hersenen naast hersens.

Hersenen/hersens is  een `dubbel meervoud’ in de zin van De Rooij (1974), want dezelfde taalgebruikers kunnen of zullen hersens en hersenen door elkaar of met betekenis- of stijlverschil gebruiken. Het feit dat de taalgebruiker daarbij alleen het suffix verwisselt, impliceert natuurlijk ook dat hij er nog steeds een meervoud in herkent. Trouwens ook de syntaxis bevestigt of illustreert dat meervoudsgevoel. Een zin als: zijn hersens is beschadigd, is voor een Nederlander ongrammaticaal, terwijl zijn hersens zijn beschadigd wel kan.

Of dat meervoudsgevoel ook geldt bij mazelen, is zeer de vraag. Het woord mazelen is zelden of nooit subject en dan is het moeilijk vast te stellen hoe het getal ervaren wordt. Mensen zeggen bij epidemieën toch eerder `t heerst dan de mazels heerst of heersen. Een zinnetje als de mazels is een kinderziekte, kan, geloof ik, overigens weer wel, maar $ast$ mazels zijn een kinderziekte acht ik onmogelijk. Om twee redenen trouwens. In de eerste plaats omdat het meervoud hier ongrammaticaal is, maar in de tweede plaats omdat mazelen nooit zonder lidwoord gebruikt wordt: dat kind heeft de mazels. Mijn indruk is dat dat bij alle pluralia tantum alleen voor dit woord geldt.

Dat mazelen volstrekt niet meer als een meervoud gevoeld wordt, bewijst verder de onmogelijkheid van een gebruik als in `Wat heeft dat kind veel mazelen!’, ook volgens de ANS (37) een (uitgesloten) combinatie. Precies andersom als bij hersenen, waar het meervoud acceptabeler lijkt dan het enkelvoud. En dat is juist heel opmerkelijk, zoals nog zal blijken.

Een ander verschil met hersenen/hersens is dat bij mazelen/mazels de andere vorm niet bij dezelfde sprekers alterneert: bij dit laatste woord is er een duidelijke geografische afbakening. Waar de ene vorm voorkomt, bestaat de andere niet, en omgekeerd.

 

 

Kaart Mazelen
Kaart 1. Mazelen

 

De kaart wafel (De Rooij 1974, p. 49) geeft een goed beeld van de gemiddelde spreiding van de meervoudsvorming bij meerlettergrepige woorden op schwa + sonorant. In De Rooijs woorden: `De vorm wafelen komt vooral in het zuiden voor: vrijwel onvermengd in het westen van Vlaams-Brabant en de zuidelijke helft van Nederlands Limburg; gemengd met wafels in de rest van België (behalve West-Vlaanderen) en het noorden van Nederlands Limburg. In Noord-Nederland vinden we de -en-vormen verspreid in Noord-Holland boven het IJ en een paar keer in Twente.’ (De Rooij 1974, p. 48). Op blz. 66-67 zegt De Rooij het zo: `… op alle kaarten.. vormen de -s-meervouden een ruime meerderheid.’

In het artikel van Goossens 1987 blijkt blz. op 152 dat de verbreiding van het meervoud op -s bij dorens (bijv. van een roos) nog meer verbreid is dan bij wafels, gedeeltelijk ook anders. Het s-meervoud bij dorens komt in het hele Nederlandse taalgebied voor, met uitzondering van Friesland, oostelijk Overijsel, de Achterhoek, een oostelijk randje Noord-Brabant en Belgisch en Nederlands Limburg. Dat moet een latere ontwikkeling zijn.

Algemeen wordt aangenomen (en bewezen geacht) dat het s-meervoud jonger is dan dat op -en. Als we de kaarten bij De Rooij en Goossens bekijken, zien we hoe succesvol dat s-meervoud uiteindelijk gebleken is. Het beslaat nu ongeveer 95 terwijl er vóór 1300 nog weinig gevallen van meervoud op -s geschreven zijn. Van een s-meervoud bij een woord van het type tweede lettergreep met schwa en eindigend op een sonorant, zijn 13 gevallen in het literaire gedeelte van Corpus Gysseling aangetroffen. Het zijn allemaal substantieven op -er. In de ambtelijke stukken komen meer gevallen voor en ook verdeeld over meer typen substantief. Praktisch al deze vormen komen uit het zuidwesten van ons taalgebied, maar dat hangt ook samen met de Vlaamse herkomst van 70 (Philippa 1981).

Vergelijken we de grote verbreiding van het suffix -s op de kaarten van De Rooij en Goossens met die bij mazelen, dan constateren we dat de verschillen haast niet groter kunnen zijn. De kaarten lijken wel elkaars spiegelbeeld, dat wil zeggen in die zin dat wafels en dorens bijna overal op -s eindigen en dat mazelen in de meeste plaatsen op -en eindigt. Gaan we dertig jaar terug (dat kan dankzij Vragenlijst 25 uit 1954 van het P.J.Meertens-instituut) dan blijkt het aantal vormen op -en kleiner te zijn dan in 1986. Met andere woorden, bij mazelen neemt het meervoud op -en nog toe. Deze ontwikkeling is precies tegengesteld aan die bij andere substantieven. Daar neemt het gebruik van -en juist af ten gunste van -s. De oorzaak moet gezocht worden in het bijzondere karakter van het woord in kwestie. Ook de enorme tegenstelling tussen de geografie van de twee suffixen -s en -en bij mazelen enerzijds en bij alle andere vergelijkbare substantieven anderzijds, moet verband houden met het plurale tantum karakter van het woord.

In feite ligt de oorzaak in de ontwikkeling die het woord in semantisch opzicht heeft doorgemaakt, waardoor het op den duur niet meer als meervoud, zelfs niet als plurale tantum gevoeld werd. Blijkbaar is die ontwikkeling daarheen al aan de gang in de periode dat het meervoudssuffix -s succes begon te krijgen. Mazelen werd toen niet meer ervaren als een samengesteld of geleed woord. En toen alle andere substantieven hun -en-meervoud vervingen door dat op -s, deed mazelen niet mee. Dat betekent dat de geografie van de meervoudsvorming bij dit woord gefixeerd was en dat betekent weer dat het kaartbeeld van de toestand in 1986 wel eens een heel mooi beeld zou kunnen geven van de geografie in het verleden: twee `vernieuwende’ gebieden met -s, een noordoostelijk en een zuidwestelijk en een centraal gebied met het oude suffix -en. Alleen uit welke tijd dit beeld stamt is niet duidelijk, maar gaan we af op de opmerking van De Rooij (1974, p. 66), dat de door Van Loey beschreven toestand in het Middelnederlands — zeker wat de Zuidnederlandse tegenstelling tussen Vlaanderen en (Zuid-)Brabant betreft — in de moderne dialecten grotendeels nog bestaat, dan vertegenwoordigt de kaart van mazelen een vroege situatie, waarschijnlijk nog van vóór de expansie van het – s-meervoud, die althans voor wat het zuidwesten betreft, gedateerd wordt in de 13e en 14e eeuw (Philippa 1982, p. 413).

Maar wat zeker ook uit het kaartbeeld duidelijk wordt, en wat — bij mijn weten — nog niet eerder het geval geweest is, is dat er twee oude betrekkelijk kleine gebieden met -s-meervoud bestaan, onafhankelijk van elkaar. In zekere zin vult de kaart MAZELEN daarmee ook de leemte op die een gevolg is van de afwezigheid van vroege geschreven bronnen uit het noordoosten, want precies zoals het zuidwestelijke -s-gebied zijn verleden heeft, mogen we dat voor het noordoostelijke gebied ook wel aannemen. Met andere woorden, er is geen reden om aan te nemen dat het – s-meervoud in het noordoosten niet even oud is als in Vlaanderen.

Het opvallendst is de totale afwezigheid van een meervoud op -s langs de kust van Holland. Dat werpt toch weer meer licht op de geschiedenis van de meervoudsvorming. Juist omdat het en-meervoud het oudste is, is niet aannemelijk dat de verspreiding van de meervoudsvorming bij MAZELEN het resultaat van een expansie van mazelen is. Deze vorm vertegenwoordigt de oude meervoudsvorming. Dat betekent dat we in de twee -s-gebieden de oudste territoria van het nieuwe -s-meervoud hebben en dat geeft grond aan de hypothese van een onafhankelijke oorsprong in beide gebieden (Philippa, hypothese 3; 1991, p. 100).

In elk geval blijft het belangrijk te weten wanneer masel als enkelvoud buiten gebruik geraakt is. Dat zou ons in staat stellen ongeveer te bepalen wanneer de verbreiding van het -s-meervoud op gang gekomen is. Veel zekerheid daaromtrent is niet te verkrijgen. Uit de behandeling die Kiliaan (1599) van de diverse verwante woorden geeft, is wel iets op te maken — in elk geval een datum `ante quem’ de relatie tussen enkelvoud en meervoud verloren geraakt is. De ziekte heet bij hem maselen, maseren, maselsuchte. Zijn omschrijving luidt in een vertaling: `bultjes (blaren), mazelen, zwellinkjes, in de volksmond pokken; kleine rode of purperen vlekjes, soms tegen het zwarte aan, gevaarlijk voor kinderen.’

Kiliaans definitie van wat eventueel als het bijbehorende enkelvoud beschouwd zou kunnen worden, masche, maschel, verschilt van die bij maselen. In het eerste geval gebruikt hij macula, labes, die beide `vlekje’ betekenen, bij de naam van de kinderziekte papule, boa, exanthemata, al komt in zijn omschrijving nog wel maculae voor. Ook de spelling van de twee vormen is steeds verschillend: masche en alle samenstellingen en afleidingen van dit woord, hebben sch, terwijl maselen steeds met een enkele s gespeld wordt. Bij Plantijn is iets dergelijks het geval. Mijn conclusie is dat de naam van de ziekte een op zichzelf staand woord is in de 16e eeuw. Die conclusie wordt bevestigd door het opvallende feit dat de naam van de ziekte altijd voorzien is van het bepaalde lidwoord, voor het eerst te constateren bij Plantijn die onder de letter M/ ` De maselen‘ opneemt, waar hij bij substantieven normaal geen lidwoord geeft. In dit geval is het lidwoord blijkbaar onderdeel van de naam. Dat wijst op een verschuiving van de aandacht van het uiterlijke verschijnsel van de vlekjes, naar de algehele gesteldheid van de patiënt. Als van iemand gezegd wordt dat hij mazelen heeft, wordt — naar mijn gevoel — meer de aandacht gevestigd op zijn vlekkerige uiterlijk, dan bij de formulering: hij heeft de mazelen. Het bepaalde lidwoord bevestigt de semantische specialisering.

En niet zonder betekenis is verder dat zowel Plantijn als Kiliaan alleen een meervoud op -en gebruiken, terwijl beide auteurs toch afkomstig zijn uit een gebied waar bij dit type woorden het -s-meervoud normaal is (Van Loey 1964; 124). Op de vraag wanneer isolering van mazelen geleid heeft tot fixering van de oude meervoudsvorm geven ook zij geen antwoord. Aan Van Loey (1961) zijn argumenten te ontlenen dat dat niet voor 1500 gebeurd zal zijn1 . Dat houdt in dat pas in de loop van de 17e eeuw het -s-meervoud succesvol werd en zich ging manifesteren buiten de gebieden die nu op de taalkaart MAZELEN die -s vertonen.

Op die, hier gepubliceerde, taalkaart (anno 1986) komen naast mazelen nog enkele heteroniemen voor: blekken/blekens en ieversken in enigerlei vorm; blecken ook bij Plantijn. Het zijn alle twee vormen op retour. Niet alleen wordt dat door diverse correspondenten van het P.J.Meertens-Instituut met zoveel woorden aangegeven, maar bovendien blijkt hun teruggang bij vergelijking van de geografie in 1954 (Vragenlijst 25) met die van 19862. Zowel blekken/blekens als ieversken wekken de indruk ook pluralia tantum te zijn (geweest?). Bijna geheel verdwenen zijn nu al de twee overige namen reule en plekken.

Al deze namen moeten wijken voor de vorm uit de Standaardtaal, mazelen, niet voor een succesvolle verwante vorm uit de aangrenzende dialecten. Dat blijkt ook het geval te zijn in gebieden waar men meazels, messels, of meuzels zegt, met een palataal vocalisme en het autochtone s-meervoud, dat is resp. op de Zeeuwse eilanden, Drente, Noord-West-Overijsel en de Stellingwerven. Want niet alleen heeft de nieuwe vorm een meervoud op -en, wat een morfologische verandering zou kunnen zijn, maar steeds is ook een andere vocaal aanwezig: mazelen. In Drente en Overijsel komt dus naast de oude vormen messels en meuzels, geen vorm messelen voor. In Zeeland een vergelijkbare situatie. Wel mazelen naast het oude maezels, maar niet maezelen. Overigens wel weer maezels, maar die vorm past binnen het patroon van de algemene vervanging van een te zeer afwijkende vocaal uit het Standaard Nederlands. Nergens in deze gebieden kan gesproken worden van de vervanging van het suffix. Als een vorm een ander suffix dan het oude suffix vertoont, is ook de vocaal anders. Zoiets is altijd een aanwijzing dat een woord als geheel wordt overgenomen en niet een enkel vervangend foneem of morfeem (vgl. Stroop 1981). De expansie van mazelen heeft dus niets te maken met een eventuele verbreiding van het meervoudssuffix -en; het is een lexicale aangelegenheid. En in dit geval een bewijs opnieuw dat mazels (of mazelen) tegenwoordig een ongeleed woord is.

Dat de nieuwe benaming in deze gebieden een ontlening aan de Standaardtaal is, hoeft niet te verbazen. De huisarts die geconsulteerd wordt en de onderwijzer op school bij wie het ziektegeval gemeld moet worden, spreken van mazelen en dan is overneming een heel vanzelfsprekende zaak.

Niet waarschijnlijk is dat de oorspronkelijke verbreiding van deze vorm daardoor verklaard moet worden. In de eerste plaats blijkt bij vergelijking van de situatie van dertig jaar geleden met het heden, dat mazelen nu pas aan het binnendringen is in gebieden waar eerst een andere naam de gewone was. Bovendien, als de dokter invloed zou hebben gehad op de naamgeving van deze kinderziekte, dan zou dat overal in dezelfde mate merkbaar moeten zijn geweest, ook in gebieden waar nu nog een meervoud op -s het enige is.

 

 

Kaart Hersens 
Kaart 2. Hersens

 

Hersenen is van oorsprong geen meervoud, maar een ongeleed woord hersen. Volgens De Vries-De Tollenaere (1991, p. 169) zal de grondbetekenis van het oorspronkelijke woord `schedel’ zijn geweest, een enkelvoudig begrip dus. Ook in andere Westeuropese talen is het naamwoord steeds enkelvoud: Duits das Gehirn; Engels brain ( brains fig.). Het Frans heeft naast cervelle, cerveau (mv), hoewel Plantijn le cerveau schrijft.

In het Middelnederlands had het woord nog de vorm hersen; MWB III, 382. Daarnaast verschijnt ook, even vaak, de formatie hersenen, eventueel met aan andere vocaal, harsenen. Er is geen vorm op -s aangetroffen. Zowel hersen als hersenen hebben nog lange tijd naast elkaar bestaan. Er zijn eigenlijk maar twee opvattingen mogelijk over de oorzaak waardoor de vorm van het woord veranderd is van hersen in hersenen/hersens. De eerste is dat men het oude woord is gaan zien als een enkelvoudig telbaar substantief, waarvan een meervoud afgeleid kon worden, of zelfs `moest’ worden. Mijn indruk is dat dat stilzwijgend de opvatting is die in de woordenboeken wordt aangehangen. Toch is dat een niet zo waarschijnlijke verklaring, want wat is er telbaar aan onze hersenen en waarom zou zo’n verandering dan ook niet in andere talen zijn opgetreden.

Een andere opvatting, die ik hier als nieuw presenteer, is dat hersen opgevat is als een meervoud, een plurale tantum dus. Vervolgens is dat meervoudskarakter nog eens benadrukt, overgekarakteriseerd door aanhechting van een meervoudssuffix, aanvankelijk -en. Essentieel voor deze opvatting is dat aangetoond kan worden dat hersen inderdaad als meervoud gezien is. Raadpleging van het WNT levert weinig op. Hersen in deze vorm komt wel in een flink aantal citaten voor, maar steeds in objectsfunctie of na een voorzetsel, en daar is natuurlijk geen bewijs aan te ontlenen. Maar er is een citaat dat aan alle twijfel een eind maakt. In Hoofts Bruiloftszang voor Constantijn Huygens uit 1627 komt de volgende regel voor: `Haer’ helder harssen zijn bedwelmt’. Harssen regeert hier een meervoudige persoonsvorm en is dus opgevat als een meervoud (WNT s.v hersenen). Ook bij andere schrijvers, Vondel, Bredero, o.a. komen vormen als hersen/harsen voor maar ook dan steeds in objectspositie, waardoor ze hun getal niet verraden.

Hierboven is al gewezen op het naast elkaar voorkomen van hersen en hersenen in het Middelnederlands en latere fasen van het Nederlands, waarbij opvalt dat ze ook werkelijk gelijkwaardig aan elkaar zijn. Dat is natuurlijk ook alleen verklaarbaar als de twee vormen precies dezelfde betekenis hadden, nl. die van `brein’ (of `hersenen’!).

Dat de uitbreiding met -en inderdaad de bedoeling had van het woord een (herkenbaarder) meervoud te maken, wordt nog eens duidelijk doordat hersenen, in tegenstelling tot mazelen, wel meedeed met de vervanging van -en door -s. Uit de hierbij gepubliceerde kaart blijkt dat dat -s-meervoud in dit geval zelfs meer dan gewoon voorkomt, meer verspreid bijv. dan bij wafels (De Rooij 1974, p. 49). De vormen op -en zijn er ook meer verspreid en vormen zeker geen gebieden. Dit alles ondersteunt alleen nog maar de gedachte van de (over-)karakterisering bij hersen, dat door zijn vorm, een einde op -en, op het punt van enkel-/meervoud een onduidelijk karakter heeft. Immers, -s is als suffix eenduidiger een meervoudssuffix dan -e(n), wat nog eens wordt bevestigd door de voorspoedige en grootschalige verbreiding ervan. Daarbij heeft zeker ook de door Van Haeringen geïntroduceerde `ritmische factor’ een rol gespeeld, die bij een meersyllabig substantief waarvan de laatste syllabe onbeklemd is, het -s-meervoud de voorkeur geeft (Van Haeringen 1949, p. 187).

Wat er met hersen gebeurde, is te vergelijken met het bekende geval cyclaam, waarbij een vergelijkbare (meta-)analyse plaatsgevonden heeft. De oorspronkelijke enkelvoudsvorm van het ontleende cyclamen was blijkbaar niet duidelijk als zodanig en werd opgevat als een meervoud, waarvan dan een nieuw enkelvoud, cyclaam, werd afgeleid. Dat was hier zinvol omdat cyclamens telbaar zijn (Van Marle 1978, p. 162). Van het omgekeerde proces zijn ook voorbeelden te vinden. Schönfeld (1964, p. 123) noemt o.a. schoen, teen en peen die oorspronkelijk meervoudsvormen waren, maar later als enkelvoud werden opgevat, waarvan nieuwe meervouden werden gevormd.

De oorspronkelijke enkelvoudsvorm hersen werd weer ervaren als een meervoud, dat onduidelijk was, maar in plaats dat er een nieuwe enkelvoudsvorm van werd afgeleid, zoals bij cyclamen, wat semantisch niet zo zinvol geweest zou zijn vanwege het niet telbare karakter van het zaakbegrip, werd het vermeende meervoudskarakter `nogmaals’ uitgedrukt, door aanhechting van het toen gebruikelijke suffix -en.

Verrassend is overigens dat ook de oude vorm hersen nog steeds voorkomt, ongeveer 15 keer en verspreid over het hele taalgebied.

Slot
Twee meervouden dus, die het niet zijn. Mazelen, dat van oorsprong een geleed woord is, te weten het meervoud van een eenmaal bestaand enkelvoud mazel, heeft zich een tijdlang gedragen als een echt plurale tantum, wat zijn weerslag heeft gehad op de geografie van de allomorfie van het oorspronkelijke meervoud. Tegenwoordig functioneert het meestal als een ongeleed woord, dat enkelvoud is. Mazelen is dus nu geen meervoud meer, ook niet `tantum’.

Hersens daarentegen is oorspronkelijk een enkelvoudig woord: hersen, dat door zijn vorm de interpretatie van een meervoud opriep, waarmee echter geen enkelvoud correspondeerde. In de syntaxis ging het woord als een meervoud functioneren. Een volgende stap was het woord een duidelijker meervoudsvorm te geven, en de oorspronkelijke vorm als een schijnenkelvoud op te vatten. En zo is hersenen zich ook in morfologisch opzicht als een meervoud gaan gedragen, en deed het tenslotte ook mee met de stroming die het oude meervoudssuffix -en door -s verving.

Een mooiere illustratie van deze ontwikkeling dan de reeks Vondel-citaten in het WNT is nauwelijks denkbaar: 1620: herssen; 1639: harssenen; 1671: herssens.

Literatuur

  1. ANS
    [1984] Algemene Nederlandse Spraakkunst onder redactie van G.Geerts, W. Haeseryn, J. de Rooij en M.C. van den Toorn, Groningen 1984.
  2. Goossens, J.
    [1981]`Kanttekeningen bij de meervoudsvorming van substantieven in het Nederlands en zijn dialecten’, in: Taal en Tongval 33 1981, blz. 70-75.
  3. idem
    [1987]`Schets van de meervoudsvorming der substantieven in de Nederlandse dialecten’, in: Taal en Tongval 39 1987, blz. 141-173.
  4. Haeringen, C.B.
    [1949] Neerlandica; verspreide opstellen, `s-Gravenhage 1949.
  5. Marle, J. van
    [1978]`Veranderingen in woordstructuur’, in: G.A.T. Koefoed en J. van Marle
    [eds.], Aspecten van Taalverandering, Groningen 1978, blz.127-176.
  6. Philippa, M.L.A.I.
    [1981]`De meervoudsvorming op -s in het Nederlands vóór 1300′, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 97 1981, blz. 81-103.
  7. idem
    [1982]`Problematiek rond het s-meervoud: een diachroon overzicht’, in: De nieuwe taalgids 75 1982, blz. 407-417.
    Beide artikelen ook in: M.L.A.I. Philippa, Noord-zee-germaanse ontwikkelingen, diss. Amsterdam 1987.
  8. Rooij, J. de
    [1974]`Dubbel meervoud I, II’, in: Taal en Tongval 26 1974, blz. 46-69 en 153-178.
  9. Stroop, J.
    [1981]`Twee gevallen van woordverandering’, in De nieuwe taalgids 75 1981, blz. 135-140.
  10. Taeldeman, J.
    [1980]`Pluralisation in the Flemish (and the Brabantic) dialects’, in: S. Daalder and M. Gerritsen [eds.], Linguistics in the Netherlands, Amsterdam 1980, blz. 29-46.

 

Noten
1. Uit wat Van Loey (1966, p. 13) in zijn gebruikelijke gecondenseerde proza meedeelt: `Een meervoud op -s hebben: 1. woorden op -el, -en, -er…… Het komt voornamelijk in Westvl. en Holl. documenten, reeds in de 13de e., voor en bij groep 1 (dat is die op -el, enz. J.S.) eerst laat en zelden (vnl. Brab. en Holl.).’ valt op te maken dat het -s-meervoud bij woorden als vogel pas tegen het einde van de 15e eeuw (daar eindigt zijn onderzoeksperiode) en dan nog maar sporadisch en dan nog vooral in Brabant en Holland voorkomt. Dat zou betekenen dat de kaart mazelen de situatie tot in elk geval 1500 toont.
Terug

2. Die vergelijking is mogelijk dankzij de (ongepubliceerde) kaart die op basis van het materiaal uit 1954 getekend is. De kaart is gemaakt door Annette Goddijn, die in het studiejaar 1990-1991 deel uitmaakte van een werkgroep over woordgeografie.
Terug

2 Reacties op Twee meervouden die het niet zijn

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
jan_stroop RT @CarelStolker: Frans de Waal laat in #zomergasten nog eens zien hoe schándelijk Wouter Buikhuisen werd behandeld door VN, en hoe mild hi…
5hreplyretweetfavorite
jan_stroop RT @zomergasten: 'Het was allemaal zeer deprimerend.' Frans de Waal over de affaire Wouter Buikhuisen. #Zomergasten https://t.co/1Z4GChj2H3
5hreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>