Op weg naar school?

over de verandering van SK  in SCH en SJ

verschenen in: Vragende wijs; bundel aangeboden aan Leopold Peeters bij zijn afscheid van de Universiteit van Amsterdam,  Amsterdam 1990, blz. 144-153.d

 

Op grond van ontwikkelingen in het verleden, op lange, zowel als korte termijn, is de verwachting gewettigd dat de oude cluster sk binnen afzienbare tijd uit de Nederlandse dialecten verdwenen zal zijn. Dat lijkt ook te gelden voor een andere representant van sknl. het foneem ∫ (als de eerste klank  in ‘chocola’). Toch blijkt de zaak niet zo eenvoudig te liggen. Van een rechtlijnig patroon van afneming is in elk geval bij sk geen sprake. Het antwoord op de vraag of we wat de uitspraak van de cluster in skool betreft, op weg zijn naar school, moet daarom voorlopig een vraagteken blijven.

 

Het eerste probleem is dat van de onderlinge (diachrone) relatie tussen de drie Nederlandse representanten. Het eenvoudigst is de positie van de skdat is de oudste variant, beide andere zijn jonger. Over de verhouding van deze laatste twee tot sk en tot elkaar, bestaan verschillende opinies. De eerste luidt dat zowel sx als ∫ onafhankelijk van elkaar uit sk ontstaan zijn. In beide gevallen zijn assimilatieprocessen daarvoor verantwoordelijk. Bij sx gaat het om een assimilatie van wijze: de k wordt x, ofwel een plosief wordt fricatief onder invloed van de voorafgaande fricatief. Bij ∫verliep de ontwik­keling, volgens sommigen dan, via een tussenstadium ∫k  (gevolg van assimilatie van plaats), naar een deletie van de k. Een andere, meer waarschijnlijke, opvatting meent dat het tussen- en dus voorstadium sx moet zijn geweest, of ∫xDeze drie stadia zijn trouwens, keurig naast elkaar, aanwezig in de Westvlaamse dialecten (Verstegen 1942, kaartje).

 

Het hier afgedrukte kaartje geeft een globaal beeld van de verbreiding van de representanten van de oude sk in de hedendaagse dialecten. Ongearceerd gebleven zijn de gebieden waar de variant sx gesproken wordt, dezelfde als die in Standaard-Nederlands. Zonder arcering is ook het kleine gebied in West-Vlaanderen dat s’ heeft, de glottis-explosief die als een directe voortzetting van sk gezien kan worden. 

 

skoolafb1aa.jpg

 

Wat betreft de mate waarin dialecten de sk-uitspraak behouden, zijn een aantal gebieden te onderscheiden: eerst Noord-Holland en Friesland, waar de sk volop voorkomt; hiervoor heb ik op de kaart de dichtste lijn­arcering gebruikt. Deze laatste is door de oorspronkelijke makers van het kaartje ook gebruikt voor Noord-Brabant; zelf schat ik de resistentie van sk daar lager in. Minder frekwent is deze variant in delen van Drente en Overijssel, met wijdere arcering; het minst frekwent in de gebieden met onderbroken lijnarcering.

 

Om iets te weten te komen over de manier waarop de traditionele sk-uitspraak standhoudt, danwel plaats maakt voor de Standaard sx, heb ik me beperkt tot Nederland en vervolgens alleen gekeken naar de plaatsen waar in de uitspraak geen homogeniteit heerst. Dat kon ik doen dankzij het materiaal van de Reeks Nederlandse Dialectatlassen. Ik heb uit de RND-teksten 12 woorden gekozen die in het Nederlands met sx beginnen en waarvan aangenomen kon worden dat er variatie bij zal optreden. 

 

Een voorbeeld: van alle Noordhollandse plaatsen die in de RND zijn opge­nomen, hebben vier plaatsen bij alle 12 woorden steedssx, de overgrote meerderheid steeds skin maar tien plaatsen is in één van de 12 woor­den een sx gesproken. In de twee andere Nederlandse sk-gebieden slaat de balans verder door naar de sx-uitspraak. In het nuvolgende overzicht is aangegeven welke 5 woorden in elk van de drie gebieden het hoogste percentage sk-behoud vertonen en welk woord juist het minst sk heeft en dus het meest sx van de 12 woorden. Het gaat dus steeds alleen om plaatsen die een heterogene uitspraak hebben. Staatje D betreft de plaatsen die een heterogene ∫-uitspraak kennen.

 

A. NOORD-HOLLAND

   N % sk
1. schoolkinderen 11 100
2. schip 13   92
3. schipper 12   91
4. beschimmeld  12   83
5. weddenschap 10   80
12. beschermen 7   28

42 plaatsen in dit gebied met 100%  sk-uitspraak

 

B. NOORD-BRABANT

  N %sk
 1. schipper  25   88
 2. schoolkinderen 25  80
 3. school 26  73
 4. schip 25  72
 5. schepen 27  70
 12. beschermen 10  30

6 plaatsen in dit gebied met 100% sk-uitspraak 

 

C. NOORD-OOSTEN (Gron,,  Drente, Overijsel, Gelderland

  N %sk
 1. schip             109  56
 2. beschimmeld   89  54
 3. schipper   99  50
 4. schepen   95  43
 5. schoolkinderen   93  42
 12. schreeuwen   12  16

3 plaatsen in dit gebied met 100% sk-uitspraak

                                 

D.VELUWE en drie plaatsen in Limburg

  N % ∫
 1. schip               13  53
 2. schipper   12  50
 3. beschermen     7  42
 4. beschimmeld   11  36
 5. schepen   14  35
 12. schaduw   11  18

 

Het opvallendste aan de vier staatjes is hun grote ‘lexicale’ overeen­komst. De hoogste percentages van behoud worden namelijk vrijwel steeds gehaald door dezelfde woorden:schoolkinderen, schip en schipper, terwijl omgekeerd het woordbeschermen in twee van de drie gebieden het laagst uitkomt. Alleen in het •-staatje hoort beschermen bij de woorden die juist het meest behoudend zijn. Het is duidelijk dat de rang­orde van de woorden bepaald wordt door de plaats van de betreffende woorden in het lexicon en niet door de aard van de verandering zelf. Bij • -> sx gaat het immers om een terugkeer van een eerder stadium, bij sk -> sx om een verdere voortgang, althans in theorie; in feite gaat het in beide gevallen natuurlijk om het aannemen van de Standaard-vorm en daarbij gelden -mag men aannemen- dezelfde factoren.

 

De eerste gedachte die bij een poging tot verklaren opkomt, is die aan de frekwentie van de woorden in kwestie en hun onderlinge verhouding op dit punt. Kloeke (1927) hanteert het begrip in zijn eenvoudigste vorm: hoe frekwenter een woord hoe eerder de prestige-vorm het wint. Janssen heeft later een specificatie beargumenteerd: een woord verandert eerder naarmate zijn frekwentie in interlokaal taalverkeer hoger is; een woord bewaart zijn vorm meer naarmate het in lokaal taalverkeer een hogere frekwentie heeft. Het product is dan het resultaat van de ver­houding tussen beide frekwenties (Janssen 1941).

 

Echter, bruikbare gegevens over de frekwenties van de onderzochte woorden zijn er eigenlijk niet: een te gering aantal attestaties of te weinig verschil tussen de verschillende vormen van taalgebruik. Eén opvallende uitzondering, beschermen. Dit woord is in geschreven taal, zoals gepresenteerd inWoordfrequenties (Uit den Boogaart 1975), tamelijk frekwent, maar ontbreekt geheel in het deel Spreektaal (De Jong 1979). Op grond van deze gegevens mag aangenomen worden datbeschermen in talen die voornamelijk als spreektaal bestaan, bijv. de dialecten, een weinig gebruikt woord zal zijn. Dat laat zich ook goed rijmen met het feit dat beschermen van de 12 onderzochte woorden uit de RND het vaakst door heteroniemen is vervangen, maar tegelijk ook vaak het eerste woord is, dat de Standaard-uitspraak met sx vertoont Gebrek aan bruikbare gegevens sluit overigens niet uit dat de woord­frekwentie in meer of zelfs in alle gevallen een belangrijke rol speelt.

 

Niet de enige, en misschien zelfs niet de voornaamste. De gegevens uit de RND maken ook nog iets anders duidelijk, nl. dat bij het aantreden van de sx-uitspraak ook aspecten van lexicale diffusie een rol spelen. Ik gebruik de term ‘lexicale diffusie’ niet als synoniem voor ‘invloed van woordfrekwentie’, maar als naam voor het verschijnsel dat woorden in een volstrekt willekeurige volgorde een nieuwe vorm kunnen aannemen. Hieronder volgt – ter illustratie – een overzicht van een aantal plaatsen met zowel sk- als sx-uitspraak, en enkele met ∫en sx. De woorden waar het hier om gaat, zijn de volgende: zin 5: schip; 23: schepen; 7: schip­per; 5:beschimmeld; 29: schoolkinderen; 41: beschermen; 47:wedden­schap; 53: school; 74: schafttijd; 84: schreeuwde; 91:schaduw; 92: schutter.

 

skoolafb2.jpg

 

Hoewel er wel een zekere tendens is waar te nemen dat de frekwentie van invloed kan zijn, hiervoor is bijv. beschermen genoemd, blijken geen twee plaatsen hun sk en sx over dezelfde woorden verdeeld te hebben. Het opvallendst daarbij is wel het paar schip/schepen. In de ene plaats heeft het enkelvoud sk, het meervoud sx, in een andere plaats is het precies andersom. Dat is niet alleen het geval in Nederland. Ook in de dialecten in België is het verschijnsel, in nagenoeg dezelfde vorm gekon­stateerd, en al veel eerder: 1942. Het heeft tot een amusante discussie geleid tussen de ontdekker Verstegen, die zijn eigen waarnemingen niet kon geloven, en Blancquaert, die voor de gevonden feiten een verklaring heeft: de sk-uitspraak is een relikt dat verdwijnt (Blancquaert 1948, 29).

 

Het valt niet moeilijk om op basis van de Reeks Nederlandse Dialect­atlassen de stelling te verdedigen dat ook de ∫op zijn retour is ten gunste van de sx. Plaatsen in het Veluwse ∫-gebied vertonen hetzelfde lexicaal-diffuse beeld als plaatsen met sk-veranderingen. Heel anders is de situatie in Limburg; daar is, althans in anlaut bij ∫uit sk, nog geen spoor te vinden van enige penetratie van de Standaard-sx. Integendeel, want de gegevens van de RND lijken er eerder op te wijzen dat in de periode dat dit deel van de RND tot stand kwam (de laatste jaren vóór de tweede wereldoorlog tot aan 1960), de ∫-uitspraak expansief was. De plaats Meyel bijv. spreekt een Brabants dialect (Crompvoets 1980) behalve waar het gaat om de realisering van de sx; daarin is Meyel met Limburg mee gaan doen. Overigens nog pas in de loop van deze eeuw, zoals uit een vergelijking van de kaartjes van Schrijnen (1920) en P. Goossens (1968) blijkt. Ook zijn er drie plaatsen (stippen) ten westen van de ∫-isoglosse, die in één woord, in 2 van de 3 gevallen bescher­men!, deze ∫ hebben.

 

Toch is er anderzijds in Limburg ook een begin van reductie van ∫ te konstateren. In Schrijnen (1920:49) vindt men een opmerkelijk staatje van realiseringen van de varianten van wgerm. sk op het woordeinde in Maastricht en enkele plaatsen in de omgeving. Opmerkelijk in de eerste plaats om het idee dat er aan ten grondslag ligt, nl. het idee van de lexicale diffusie (en dat in 1920), en ten tweede om wat het laat zien: een grillig beeld van de woordsgewijze vervanging van ∫door op het woordeinde. Er is een constante in het overzicht. In alle dialecten behoudt mus zijn ∫het langst; Schrijnen kan niet gissen waar dat door komt. 

 

Wij denken aan de bijzondere plaats die dit woord inneemt in het lokale lexicon, nl. die van naam voor het alledaagse verschijnsel ‘huismus’. De overgang van ∫naar wijt Schrijnen aan invloed van de kultuurtaal. Even eerder in zijn tekst heeft hij een interessante vergelij­king kunnen maken, die zijn gelijk bevestigt: in het grensgebied van ∫en gaan de jongeren in het Duitse deel steeds meer over op ∫, die in het Nederlandse op s.

 

Nog een symptoom van beginnende teloorgang van ∫is dat de positie van deze variant vóór consonant niet de homogeniteit meer heeft van ∫als substituut van sk; vgl. nog wel ∫ip (‘schip’) naast spelen. In veel plaatsen in het gebied in kwestie blijken, althans in de RND-gegevens, steeds enkele woorden deze ∫vóór consonant te hebben vervangen door s. Blijkbaar wordt de ∫ in de fonologische condities waarin hij later verscheen, nl. vóór andere consonant dan x, ook weer het eerst op­gegeven. Zie voor de geografische diffusie van ∫in verschillende con­dities J. Goossens (1969: 51-52 en kaart 9).

 

Op het eerste gezicht is de situatie in Noord-Holland niet anders: de dialectvorm (sk) maakt plaats voor de Standaardtaal-variant(sx), tenminste als we afgaan op de gegevens uit de RND, die dateren van vóór 1962. Recentere gegevens lijken te wijzen op een zekere vertraging in dat proces. Uit onderzoek naar dialectgebruik van kinderen in oostelijk Flevoland, d.w.z. kinderen van ouders afkomstig uit verschillende delen van Nederland, blijkt dat van alle oorspronkelijke dialectelementen het sk-cluster het meest resistent te zijn (Daan-Heikens 1976). Ook dit dialectelement is er dus wel aan het verdwijnen, maar het minst snel van alle.

 

In Noord-Holland zelf zijn tekenen die wijzen op een radicaal andere ontwikkeling. Verkregen mondelinge informatie, eigen indrukken en die van anderen wijzen in dezelfde richting: het gebruik van sk neemt toe. Dat geldt in zijn algemeenheid voor een plaats als Heemskerk en meer speciaal voor kinderen op de basisschool in Schagen. Ook in Amster­dam-Noord is het verschijnsel waargenomen. Gemeenschappelijk aan de mij bekende observaties is dat de toeneming van sk vooral bij jongeren wordt vastgesteld. In de plaats Ursem is een wat gedetailleerder onder­zoek gedaan naar verschijnselen van dialectbehoud, door C.M.E. Balvers (1989). Daaruit blijkt dat er twee dialectelementen zijn, een ervan is sk, die tussen de twee peilpunten, 1962 en 1988, een opmerkelijke verschui­ving vertonen: ten opzichte van de situatie in 1962 is er nu o.a. wat sk betreft sprake van een toeneming van 30%, en wel over de hele linie van het taalgebruik, bij alle generaties, zowel in formeel als informeel taalgebruik.

 

De voor de hand liggende veronderstelling is dat sk meer prestige heeft dan sx. Vraag is of dat ook aannemelijk te maken is. Niet binnen het bestek van dit artikel, en ook niet op basis van de spaarzame gegevens waarover ik nu beschik. Ik moet me nu beperken tot enkele overwe­gingen. Zoals deze dat uit het feit dat vooral jongens de sk uitspraak praktiseren en soms zelfs cultiveren een soort covert-prestige valt af te leiden, dat verband moet houden met het speciale fonetische karakter van het tweede element van de cluster, de k. skieten, skijten enskeuren (vooral met een auto) klinken stoerder dan schieten, schijten en scheuren, zegt men dan. Vaak dient de sk ook om een komisch bij-effekt te bereiken.

 

Het positieve imago van sk wordt niet weinig versterkt door het gebruik er van door al dan niet gelegaliseerde regionale of lokale radiozenders. De meeste ervan hanteren het dialect als de gewoonste zaak van de wereld; ze ontlenen er – dunkt mij – zelfs hun kracht en status aan. Welnu in Noord-Holland is dus die sk niet van de lucht en het kan niet anders of dat heeft invloed op de spraak van minstens een groot deel van de bevolking. Maar als de radio al sk zegt dan zijn we natuurlijk beland in een situatie dat sk een openlijk prestige heeft en dan wordt het misschien wel tijd om als antwoord op de vraag die de titel van dit artikel is een ontkennend antwoord te overwegen.

 

BIBLIOGRAFIE

  • Balvers, C.M.E. 1989
    Het Westfries van Ursem; een socio linguistisch onderzoek(niet gepubliceerde scriptie Vrije Universiteit, Amsterdam).
  • Blancquaert, E. 1948
    Na meer dan 25 jaar Dialect-onderzoek op het Terrein.Tongeren.
  • Boogaart, P. Uit den (red.) 1975
    Woordfrequenties in geschreven en gesproken Nederlands.Utrecht.
  • Crompvoets, H. 1980
    Het Meyels, een overwegend Brabants dialect. In: J. Kruysen (red.), Liber amicorum Weijnen, Assen, p. 36-45.
  • Daan, J. en H. Heikens 1976
    Dialectresistentie bij kleuters en eersteklassertjes.Amsterdam.
  • Goossens, J. 1969
    Strukturelle Sprachgeographie. Heidelberg.
  • Goossens, P. 1968
    Isoglossen in Noord-Limburg. In: J. Houx e.a. Tegels Dialek.Maastricht, p. 64-70.
  • Janssen, W.A.F. 1941
    De verbreiding van de uu-uitspraak voor westgermaansch ain Zuid-Oost-Nederland. Maastricht.
  • Jong, E. de (ed.) 1979
    Spreektaal; woordfrequenties in gesproken Nederlands.Utrecht.
  • Kloeke, G.G. 1927
    De Hollandsche expansie in de zestiende en zeventiende eeuw en haar weerspiegeling in de hedendaagsche Nederlandsche dialecten. ‘s-Gravenhage.
  • Reeks Nederlandse Dialektatlassen. 1925 vvo Antwerpen. Schrijnen, J. 1920
    De Isoglossen van Ramisch in Nederland. Bussum.
  • Verstegen, V. 1942
    De Westgermaanse sk in de Zuidnederlandse dialecten. In:
    Handelingen van de Koninklijke Commissie voor ToponymieDialectologie XVI, p. 31-41.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
jan_stroop RT @onzetaal: @kuitenbrouwer @jan_stroop We horen jullie. (Om maar eens een anglicisme te gebruiken.)
4hreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>