Jan Stroop

Jan Stroop

Dr. Heije schreef ook noten

eerder schenen in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde jrg. 119 (2003), blz. 132-142

 

1. Inleiding
‘Die Heije noemt – noemt een leven van orde, van arbeid, van opoffering; noemt een charakter, dat rechtschapenheid en menschenliefde aan edele formen paart; noemt een hart, ontvankelijk evenzeer voor al wat zedelijk goed als wat aesthetisch bekoorlijk is’, schreef Alberdingk Thijm in een artikel in De Gids van 1851 (geciteerd naar Asselbergs 1966: 48). Die kijk op Heije is allang verleden tijd. Wie hem heden noemt, ziet misschien een zijstraat van de Overtoom in Amsterdam voor zich of hoogstens een tramhalte van lijn 1 of 7.

 

Zelden of nooit wordt Heijes naam in verband gebracht met 150 jaar oude liedjes als: Zie, de maan schijnt door de bomen; Ferme jongens, stoere knapen; Een karretje op een zandweg reed; Heb je van de zilvren vloot wel gehoord, enz.. Die liedjes zelf lijken ondertussen weer wel het eeuwige leven te hebben en soms ook waar dat niet verwacht zou worden, zoals in het voetbalstadion. Hun taaie levenskracht danken ze weliswaar niet in de eerste plaats aan de woorden maar aan de melodieën van Heijes collega-medicus J.J. Viotta, maar slecht zijn Heijes woorden nu ook weer niet.

 

Heije liet het componeren van de melodieën bij zijn teksten in deze periode van zijn leven, dat wil zeggen vanaf ongeveer 1840, aan anderen over (Stroop 2002), maar in vroeger jaren heeft hij zich wel degelijk als toonkunstenaar gemanifesteerd. Zijn overigens kortstondige compositorische activiteiten – die het onderwerp van dit artikel zijn – houden ongetwijfeld verband met Heijes behoefte om op alle mogelijke maatschappelijke terreinen een rol te spelen en van alle markten thuis te zijn. Die behoefte kan weer niet los gezien worden van Heijes biografie. Vandaar eerst iets over zijn herkomst.

 

Lees verder “Dr. Heije schreef ook noten”

Het sceen teen moeste ghestorven sijn, tenslotte?

Eerder verschenen in Samengevoegde woorden; voor Wim Klooster bij zijn afscheid als hoogleraar, LSG Nederlandse Taalkunde, Amsterdam, 2000, blz. 239-243.

over regel 5 uit het Egidiuslied
Het gedicht waaruit de regel hierboven genomen is, behoort tot de bekendste Middelnederlandse gedichten. Het is het Egidiuslied, dat in de 14e eeuw geschreven werd door Jan Moritoen, althans volgens K. Heeroma in zijn uitgave van het Gruuthusehandschrift, waar het gedicht deel van uitmaakt (Heeroma, 1966).  Gerrit Komrij heeft het opgenomen in zijn De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de zestiende eeuw in duizend en enige bladzijden, waardoor het nog bekender geworden is (Komrij 1994). Het is dus van alle tijden, zou je kunnen zeggen. Iedere ontwikkelde Nederlander kent het. Maar of die Nederlander ook weet wat er in die vermaarde regel 5 precies staat, waag ik te betwijfelen. Temeer omdat zelfs de specialist Jo Reynaert aan de tekst in Komrijs bundel een vertaling toevoegt, die op zijn minst betwijfelbaar is en ook daadwerkelijk betwijfeld is, onder andere door Damsteegt; zie hier beneden.

Lees verder “Het sceen teen moeste ghestorven sijn, tenslotte?”

Dit is ABN!

Omdat het lastig is een sluitende definitie te geven van wat ABN is, hier een benadering vanuit de taalgebruikers zelf. De vier spraakfragmenten hieronder zijn door de deelnemers aan een luisteronderzoek van Dr. Renée van Bezooijen vrijwel unaniem aangewezen als ABN. Die luistertest is door Van Bezooijen en mijzelf afgenomen in echte luistersettings en via deze website. Er werd door honderden deelnemers aan meegewerkt en ze kwamen uit alle delen van Nederland, mannen en vrouwen, en waren van alle leeftijden. De fragmenten zijn door hen als ABN aangewezen binnen een verzameling van 14 resp. 15 willekeurig gerangschikte en niet-gelabelde spraakfragmenten.

Lees verder “Dit is ABN!”

Over het Journaal van de gezusters Lammens (1736)1

Eerder verschenen in Taal in tijd en ruimte (afscheidsbundel voor Cor van Bree, Leiden, 1997), blz. 193-199

 

Het lijkt zo gewoon: twee zusjes, voor en achter in de twintig, die samen met hun broer een reis naar Indië maken, maar dat was het niet in 1736. In dat jaar vertrok Pieter Lammens, jurist in dienst van de Verenigde Oostindische Compagnie, naar Batavia, om daar de functie van buitengewoon Raad van Justitie te gaan uitoefenen. Zijn zusters, Maria en Johanna, hadden, omdat ze zijn zusters waren, toestemming gekregen om tegen betaling de reis mee te maken, enkele reis, wel te verstaan. Waarom de gezusters Lammens met hun broer meegingen, staat niet vast. Misschien hoopten ze er een goede huwelijkspartij op te doen of gingen ze alleen maar mee om het huishouden van hun broer te doen (Barend-Van Haeften 1996, 24).

Lees verder “Over het Journaal van de gezusters Lammens (1736)1”

Niet doei maar doeg is Zaans

Hoe zit het nu. Is de groet ’doei’ nu wel of niet van oorsprong Zaans? En doeg’ en ’dug’ dan dat je de Zaankanter ook hoort zeggen?

Het Noordhollands Dagblad
ZATERDAG 18 APRIL 2009

Jan Stroop, Neerlandicus, is werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam en woonachtig in Zaandam

In de krant van 30 maart jl. stond een stukje over mijn spreekbeurt op de Dialectendag in Hoogeveen, op de voorpagina nog wel. De kop erboven luidde ’Zaanse doei veroverde Nederland’. Daar schrok ik behoorlijk van, want dat had ik niet gezegd en het is ook niet waar. Ik zag de stroom reacties al op me af komen. Daarom deze correctie.

Lees verder “Niet doei maar doeg is Zaans”

Aan de zelfkant van het Nederlands

recensie van: Nicoline van der Sijs (red.), Wereldnederlands; oude en jonge variëteiten van het Nederlands, Sdu Uitgevers, Den Haag 2005; 196 blz., prijs 24.99.
eerder verschenen in De Groene Amsterdammer, jaargang 129, nr. 32 (12 augustus 2005), blz. 42-43.

Dat Nicoline van der Sijs de naam van haar nieuwe boek Wereldnederlands gevormd heeft naar ’t voorbeeld van ‘wereldtaal’ is niet waarschijnlijk, want met de soorten Nederlands die in ’t boek aan bod komen, kun je allerminst in de hele wereld terecht. Integendeel, ’t zijn bijna allemaal variëteiten van ’t Nederlands die een beperkt gebruik kennen. In sommige gevallen doen de sprekers zelfs moeite om alleen in kleine kring verstaan te worden en wordt die kring expres gesloten gehouden. De enige taal die in dit opzicht, en ook nog in andere trouwens, afwijkt is ’t Afrikaans van Zuid-Afrika. Het dichtst komt de naam, die in het boek zelf niet toegelicht wordt, nog bij ‘wereldmuziek’, dat is muziek die afkomstig is van buiten ons werelddeel. Al geldt dat  laatste weer niet voor het Jiddisch-Nederlands (hier Jodenhoeks genoemd) en al helemaal niet, alweer, voor het Afrikaans, dat immers wel buiten ons werelddeel ontstaan is, maar nooit is teruggekeerd.
Lees verder “Aan de zelfkant van het Nederlands”

Een onbescheiden schoolmeester

De biografie van J.H. van Dale (1828-1872)

eerder verschenen in Biografie Bulletin jaargang 14, nr. 2, blz. 34-37.

Dat Jan Hendrik van Dale, geboren in Sluis op 15 februari 1828, nog eens het onderwerp van een biografie zou worden, heeft hij in zijn stoutste dromen niet kunnen denken. Een dromer was hij trouwens niet. Dat hij zijn faam zou verwerven met een woordenboek, ook dat is niet bij hem opgekomen. Dat kon ook moeilijk want toen Van Dale stierf, was zijn woordenboek niet eens voltooid. Zelfs dat hij een woordenboek zou samenstellen, lag niet in zijn lijn. Van Dale schreef liever over het verleden van mensen, over gebouwen en zijn geboorteplaats en over de geschiedenis van woorden. Maar woorden in een alfabetische volgorde plaatsen, daar was hij nooit eerder aan begonnen. Hij is er gewoon ingerold, zoals ook Lo van Driel min of meer door het toeval de biograaf werd van Van Dale, maar zoiets komt wel meer voor bij biografen.

Lees verder “Een onbescheiden schoolmeester”

Levensbericht Jo Daan

verschenen in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde te Leiden 2005-2006, blz. 37-45.

Johanna Catharina Daan
Krommenie 12 mei 1910 – Deventer 11 juni 2006

Johanna Daan was de dochter van Cornelia van Vliet, een Zaankantse en Mertinus Everhardus Daan, die uit Friesland kwam. Ik noem haar hier verder gewoon maar: Jo, zoals ik gewend was vanaf de dag dat ik in dienst kwam bij de afdeling dialectologie, waar ze toen hoofd van was *). Jo was het tweede kind in het gezin, waar verder geen kinderen meer kwamen. Twee jaar na haar geboorte verhuisde het gezin  naar de Eerste Helmerstraat in Amsterdam, waar vader als onderwijzer meer kon verdienen. Jo heeft zich desondanks altijd Zaanse gevoeld, grotendeels wel doordat haar moeder het dialect is blijven spreken. Na de lagere school ging ze naar de h.b.s., dat was het hoogste wat je je als onderwijzersdochter fatsoenshalve kon permitteren.
Lees verder “Levensbericht Jo Daan”

In Memoriam Jo Daan (1910-2006)

tekst uitgesproken tijdens de crematieplechtigheid, vrijdag 16 juni 2006 te Diepenveen

Ik ken Jo Daan vanaf 1966. Dat was >t jaar waarin ze me aannam als wetenschappelijk medewerker op >t Dialectenbureau. Van >t sollicitatiegesprek op maandagochtend 10 januari herinner ik me niets meer. Maar wel een paar andere zaken die al meteen tekenend waren voor de persoon die Jo was. Ze zou in de zomer met een collega naar Amerika gaan om daar opnames te maken van nog Nederlands sprekende nakomelingen van emigranten. Die reis zou beginnen op een tijdstip dat viel vóór mijn indiensttreding op 15 augustus. Jo zou er dus niet zijn om me in te werken en de weg te wijzen. Daarom hadden we van te voren nog even een samenkomst in Amsterdam.

Lees verder “In Memoriam Jo Daan (1910-2006)”