Dr. Heije schreef ook noten

eerder schenen in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde jrg. 119 (2003), blz. 132-142

1. Inleiding
‘Die Heije noemt – noemt een leven van orde, van arbeid, van opoffering; noemt een charakter, dat rechtschapenheid en menschenliefde aan edele formen paart; noemt een hart, ontvankelijk evenzeer voor al wat zedelijk goed als wat aesthetisch bekoorlijk is’, schreef Alberdingk Thijm in een artikel in De Gids van 1851 (geciteerd naar Asselbergs 1966: 48). Die kijk op Heije is allang verleden tijd. Wie hem heden noemt, ziet misschien een zijstraat van de Overtoom in Amsterdam voor zich of hoogstens een tramhalte van lijn 1 of 7. Zelden of nooit wordt Heijes naam in verband gebracht met 150 jaar oude liedjes als: Zie, de maan schijnt door de bomen; Ferme jongens, stoere knapen; Een karretje op een zandweg reed; Heb je van de zilvren vloot wel gehoord, enz.. Die liedjes zelf lijken ondertussen weer wel het eeuwige leven te hebben en soms ook waar dat niet verwacht zou worden, zoals in het voetbalstadion. Hun taaie levenskracht danken ze weliswaar niet in de eerste plaats aan de woorden maar aan de melodieën van Heijes collega-medicus J.J. Viotta, maar slecht zijn Heijes woorden nu ook weer niet.
Heije liet het componeren van de melodieën bij zijn teksten in deze periode van zijn leven, dat wil zeggen vanaf ongeveer 1840, aan anderen over (Stroop 2002), maar in vroeger jaren heeft hij zich wel degelijk als toonkunstenaar gemanifesteerd. Zijn overigens kortstondige compositorische activiteiten – die het onderwerp van dit artikel zijn – houden ongetwijfeld verband met Heijes behoefte om op alle mogelijke maatschappelijke terreinen een rol te spelen en van alle markten thuis te zijn. Die behoefte kan weer niet los gezien worden van Heijes biografie. Vandaar eerst iets over zijn herkomst.
2. Biografie
J.P. Heije is geboren in Amsterdam aan het Oudekerksplein, op woensdag 1 maart 1809, als zoon van een chirurgijn/baardscheerder. Zijn vader was de zoon van een emigrant uit Noord-Duitsland, die eveneens het beroep van baardscheerder uitoefende. Maar Heijes vader was, naar men zegt (Van Renesse 1909: 6), kort na zijn trouwen ‘door erflating in ruimer levensomstandigheden […] gekomen’. Dat verklaart volgens Van Renesse dat Casper Heije zijn zoon Jan Pieter een voor zijn komaf opmerkelijke schoolloopbaan lieten volgen: hij stuurde hem naar de Franse school, een schooltype dat alleen bereikbaar was voor kinderen uit de hogere standen en daartoe behoorde de familie Heije bepaald niet (Mak 1995: 222). Na de Franse school volgde de Latijnse school, gelegen aan het Singel, waar ook patriciërszonen als Jacob van Lennep en R.C. Bakhuizen van den Brink school gingen. Vervolgens bezocht Heije het Athenaeum Illustre voor de medicijnenstudie die hij voltooide aan de Leidse Universiteit. Hij promoveerde daar in 1832. Daarna begon hij een medische praktijk in Amsterdam. Heijes levensloop en carrière, waarvan hier nog maar het eerste begin is aangeduid, vertonen gelet op waar die eens begonnen, een verbazingwekkende opgang. Zijn eenvoudige sociale afkomst vormt tegelijk minstens een deel van de verklaring voor die opgang, zoals ook tegenstand en tegenslag steeds de motoren zijn geweest van Heijes behoefte zich te laten gelden, onder het motto ‘wie met vijanden moet kámpen wordt sterk van geest – ruim van gemoed’.

Was hij in Leiden al begonnen om zich ook in de Schone Letteren te manifesteren, – vooral in de Studentenalmanak met gelegenheidspoëzie – terug in Amsterdam werden zijn literaire activiteiten serieuzer. Hij redigeerde samen met zijn studievriend Aarnout Drost De Vriend des Vaderlands en toen dat fout ging vanwege onenigheid met de uitgever, richtten beiden in 1834 het tijdschrift De Muzen op. Tot Heijes vriendenkring behoorden in deze periode behalve Drost, ook nog Bakhuizen van den Brink, Beets en Potgieter, de belangrijkste letterkundigen in de jaren dertig van de negentiende eeuw (Thomassen 1977: passim; Aerts 1997: passim) . Ze waren als schrijvers zijn meerdere en lieten hem dat ook wel merken. Bij de beoordeling van zijn poëzie verbaasden Drost en Potgieter zich onder elkaar vaak over Heijes wonderlijke beeldspraak. Meermalen suggereerden ze hem dan bepaalde wijzigingen aan te brengen (Thomassen 1977: 83).
Overigens moet ook Heije zelf al vroeg ingezien hebben dat hij een middelmatig dichter was. In een brief aan Drost uit 1833 spreekt hij van ‘mijn poetasterij’ waar hij toch niet veel meer dan ‘rijmelarij’ mee bedoeld kan hebben (De Waal 1918: 96). Een paar jaar later, in 1836, bekende hij in een brief aan J.P. Hasebroek te beseffen dat hij voor de letterkunde verloren was (Asselbergs 1966: 111), al is uit deze formulering niet op te maken of hij dat zag als een gevolg van externe oorzaken dan wel van een gebrek aan talent. Later, in 1837, nam Potgieter hem niet op in de redactie van De Gids, ook al had Heije zijn kwaliteiten als redactiesecretaris van o.a. De Muzen volop bewezen (Aerts 1997: 65). Heije telde als dichter blijkbaar niet mee en hij was zich daar van bewust. Geen wonder dat hij later een andere koers koos, die van het volks- en kinderlied (Stroop 2002).

3. Musicus
Maar er was een terrein waarop hij zijn vrienden kon overtroeven, dat van de muziek: Heije was muzikaal en dat waren de anderen niet of nauwelijks. Dat Potgieter niet muzikaal was, is bekend. De verklaring voor zijn gebrek aan belangstelling voor muziek geeft Potgieter zelf in zijn Leven van Bakhuizen van den Brink (Potgieter [1870]: 57): ‘Een zangmeester, b.v. die hem voor elke valschgezongene noot met een oorvijg boeten deed, – verbaast het u dat de leerling geenerlei lust voor de muziek meer gevoelde?’ Ook bij een andere gelegenheid blijkt dat Potgieter geen hoge dunk had van zijn eigen muzikaliteit en daar zelfs een beetje mee koketteerde. Dat was toen Heije hem zijn bekroonde bundel Liederen en Zangen (1841) aanbood, met opdracht. Heije schreef : ‘Aan den Zangerigsten onzer niet onmuzykale Dichters, van zynen Vriend H.’. Tenminste dat meen ik te lezen, want dat on- is doorgestreept, natuurlijk door Potgieter, die het te veel eer of zelfs onjuist vond dat hij ‘niet onmuzikaal’ genoemd werd.
De andere vriend, Nicolaas Beets, was zeker niet onmuzikaal, al dreef hij in de Camera Obscura wel de spot met bepaalde soorten muziekuitvoeringen. Hij was door de redactie (lees: Heije) van het maandblad De Muzen uitgenodigd om verslag te doen van het Muziekfeest van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst, dat op 16 en 17 october 1834 in Den Haag plaats vond. Beets wilde dat wel doen maar niet van harte. Met wat er uit de bus kwam, was Heije niet tevreden. Hij heeft Beets’ stuk daarom grotendeels herschreven, zonder dat hij zelf overigens bij het Muziekfeest aanwezig was geweest (Thomassen 1977: 116-118). Eerder had Beets in zijn dagboek (22 augustus 1834) Heije een ‘connaisseur’ van de muziek genoemd (Zonneveld 1983: 92).

Heije was dus, in elk geval in de ogen van zijn vrienden, een kenner. Wanneer hij dat geworden is en hoe, is onbekend. Hij kon bijvoorbeeld piano spelen, maar waar hij dat geleerd heeft en van wie, weten we niet. Misschien wel van de organist van de Oude Kerk, die aan het Oudekerksplein woonde. Daar en later in de buurt daarvan heeft de familie Heije tot J.P.’s 6e levensjaar ook gewoond. Die organist heette Boursse. Een vrij zeldzame naam, net zo onge- woon als de naam van de oude muziekmeester die voorkomt in Heijes artikel ‘Toonkunst en poezij’ (De Muzen 1834-35: 67-75) en die daar sterk op lijkt: Brasse. Toeval of een indicatie? Deze Brasse voert in dit stuk een gesprek met Eduard Wit, de naam waarachter Heije zich ‘verschool’ (Asselbergs 1966: 100).
Niet onwaarschijnlijk is dat Heije tijdens zijn studententijd zijn muzieklessen voortgezet heeft en wellicht is dat dan gebeurd bij de onder Leidse studenten zeer bekende muziekmeester Abraham le Lièvre, bijgenaamd het ‘vloekende Haasje’ (Mathijsen [1976]: 60). Bij verschillende gelegenheden waar studenten en Universiteit mee te maken hadden, wordt melding gemaakt van Le Lièvres muzikale medewerking. Zo was er de ontvangst van de thuiskerende Leidsche Jagers na de Tiendaagse Veldtocht, op 23 september 1831 in de Pieterskerk. Die bijeenkomst werd opgeluisterd met toepasselijke gezangen op teksten die Hendrik Tollens speciaal voor deze gelegenheid gemaakt had. Ze waren op muziek gezet door Le Lièvre (Almanak 1832: 162-165). Het jaar daarop, in 1832, was Le Lièvre weer van de partij tijdens de feestelijke bijeenkomst in de Pieterskerk op vrijdag 22 juni, waarbij een gedenksteen onthuld werd, die herinnerde aan de Veldtocht tegen de Belgen. Professor van der Palm hield er een feestrede, Koning Willem I reikte Erekruisen uit en er werden onder leiding van Le Lièvre enkele gezangen uitgevoerd door een studentenkoor in samenwerking met het ‘Toonkunstig gezelschap Musis Sacrum. Maar ditmaal waren de teksten van de gezangen van J.P. Heije en de muziek van J. Enschedé Jr. Beiden waren toen nog student, hoewel Heije nog amper, want zes dagen na de plechtigheid in de Pieterskerk zou hij promoveren. Heije en Le Lièvre kenden elkaar dus, maar of dat was in de verhouding muziekleerling en muziekleraar is nog onbekend.

4. Componist
De eerste keer dat Heije zich als componist en tevens uitvoerder van eigen werk gemanifesteerd heeft, was op Driekoningenavond 1833, zaterdag 5 januari. Dat gebeurde ten huize van Jeronimo de Vries, Herengracht 483 , een huis gelegen in wat tegenwoordig de ‘Gouden Bocht’ heet. Heije woonde op de Reguliersgracht, nummer 58, amper 500 meter bij De Vries vandaan. Nog maar twee dagen daarvoor, op 3 januari, had Heije kennisgemaakt met Potgieter. Dat is waarschijnlijk gebeurd in huize Heije, want op 4 januari schrijft Potgieter hem: ‘Tack för i går’ zoude de beleefde Zweed zeggen en waarom zoude de meer oprechte Hollander niet in een briefje aan U, die gisteren zooveel tot ons genoegen bijdroeg? Geloof dat ik het hartelijk doe en met vreugde binnenkort de aangename kennismaking zal hernieuwen die ik (van mijne zijde) gaarne tot warme vriendschap zoude zien worden’ (Groenewegen 1894: 81). Dat binnenkort werd in feite wel zéér binnenkort want op diezelfde 4e januari nog verraste Potgieter Heije ‘met de uit Zweden door mij (‘ P.) meêgebragte muzijktekst voor de Frithiofs-Saga’. Dat was het toentertijd zeer beroemde epos van Esaias Tegnér, dat na verschijnen in 1825 door diverse componisten op muziek gezet is.

De aard van Potgieters gift verraadt dat Heije hem al meteen bij de eerste kennismaking deelgenoot gemaakt heeft van zijn grote liefde voor de muziek: ‘hij had de muzijk lief, meer dan eenig ander zanger … meer dan een zijner kunstbroeders.’ herinnert Potgieter zich veel later in zijn Leven van Bakhuizen van den Brink (Potgieter [1870]: 24-25). ‘Ik ga mijne taak voortzetten door u te vertellen hoe het op Driekoningen-Avond van 1833 geviel, dat hij die zoo spoedig voor mij der Herr Director worden zou, ten huize van De Vries de schaars dus aangeboden geneugten met mij smaakte’…( = de zelden op deze wijze aangeboden geneugten met mij genoot) (Potgieter [1870]: 24). ‘Er zijn zeven en dertig jaren verloopen tusschen dien avond, in welken ik hem, bij de piano, het lied: “Aan Bertha” hoorde voordragen, beide woorden en toonen zijne dichting, – en den ochtend van gister..’ (Potgieter [1870]: 25; Asselbergs 1966: 98). Dat lied, dat officieel heet Snarenspel; Aan Bertha, is niet Heijes eerste muzikale product.
Enkele jaren eerder ontstond zijn Afscheidsgroet aan het Vaderland, die gepubliceerd werd in de Nederlandsche Muzenalmanak voor 1833. Op de linkerbladzijde staat de vierstrofige tekst van Afscheidsgroet, met de foutieve ondertekening J.C. Heye, rechts, op een uitslaande pagina, de bladmuziek, voor Zang en Piano. Anders dan men zou vermoeden, zo vlak na de roerige jaren 1830-1832, heeft dit afscheid van het Vaderland niets van doen met de Veldtocht tegen de muitende Belgen, waar Heije, met pen en geweer, toch ook aan deelgenomen had, maar met de dood van een geliefde. De dood van het meisje brengt de ‘Ik’ ertoe zijn vaderland te ontvluchten en rust te zoeken ‘op vreemden bodem’. Het lijkt een fictieve tekst en allerminst een expressie van eigen emotie, ook niet van andersmans emotie trouwens.
De muziek die bij Afscheidsgroet bedacht is, staat in Es groot, een stralende majeur-toonsoort, die bij voorkeur niet gebruikt wordt voor sombere stemmingen. De begeleiding is simpel en eenvormig. De melodie mist logica en heeft weinig zeggingskracht, oordeelt Asselbergs (Asselbergs 1966: 274-275). Maar de redactie van de Muzenalmanak, in feite uitgever J. Immerzeel Jr., heeft er blijkbaar geen problemen mee gehad. Al vanaf het begin werd er in de Muzenalmanak bladmuziek gepubliceerd. De eerste componist die een bijdrage leverde, in 1819, was J.W. Wilms, die toen een gevestigd componist was. Van Wilms is de melodie bij ‘Wien Neerlands bloed’, op tekst van Hendrik Tollens, dat ruim een eeuw dienst gedaan heeft als het Nederlandse volkslied. Zijn werk (pianosonates, symfonieën) wordt ook tegenwoordig nog wel eens gespeeld. De andere componisten die met een of meer bijdragen in de Muzenalmanak vertegenwoordigd zijn, zijn bijna allemaal totaal vergeten: Jacob M. de Boer, Mühlenfeldt, J.H. Paling, Sterkel, Henr. Simon, J.F. Willems, J.A. Dahmen, enz. Heijes Afscheidsgroet en Snarenspel kunnen de vergelijking met hun bijdragen in de Muzenalmanak gemakkelijk doorstaan, maar daar is dan ook alles mee gezegd.
Pikant is wel dat in hetzelfde jaar 1833 in De Vriend des Vaderlands een bespreking verschijnt van de zangbundel Nederlandsche Zangtoonen, anoniem weliswaar, maar zonder twijfel is Heije de bespreker (Thomassen 1977: 61). Na enkele waarderende woorden over het feit dat de uitgever liederen met Nederlandse tekst gekozen heeft, bespreekt de recensent enkele liederen uit de bundel, waarbij hij in het bijzonder let op de tekstbehandeling, het congrueren van tekstmetrum en muzikaal ritme. Zijn oordeel is ongunstig en daarom geeft hij een aantal richtlijnen voor tekstdichters. Hij eindigt zijn stuk met de dreigende woorden: >Over dichterlijke zoetvloeijendheid en de kunst om harde woorden en letters gelukkig te vermijden, over toonkunstig genie en het talent, om pikante melodiën te vinden, spreken wij natuurlijk niet; wie deze vereischten ontbeert, moet zich aan iets dergelijks niet wagen.’ (462).

Naar die raad heeft hij zelf niet geluisterd, want de componist/tekstdichter van Afscheidslied ontbeert veel van het hiervoor opgesomde. We stuiten hier op een verschijnsel dat we in Heijes leven wel vaker tegenkomen, de discrepantie tussen theorie en praktijk. Het kost hem geen moeite om gedrag en zaken te veroordelen waaraan hij zich ook zelf schuldig maakt. Heije recenseerde overigens uit overtuiging anoniem: ‘Wij houden het er voor, dat in een zoo klein land als het onze, namelooze beoordeelingen alleen, de kritiek waarachtig voordeel kunnen aanbrengen, en daarom schrijven wij nameloos. Wij meenen op deze wijze opregter te kunnen prijzen en onpartijdiger te kunnen laken.’ (uit De Vriend 1833, naar Thomassen 1977: 58). De anonieme recensent completeert het beeld van de negentiende eeuw als de ‘gemaskerde’eeuw (Mathijsen 2002).
Pas drie jaar na Driekoningenavond 1833, toen Heije het lied Potgieter had voorgezongen, gaat de Nederlandsche Muzenalmanak over tot plaatsing van Snarenspel; Aan Bertha. Op blz. 150 en 151 van de almanak voor 1836, staan de vijf strofen van de tekst en op twee naar rechts uitslaande bladzijden, die ook nu weer opgevouwen zijn tot het formaat van het almanakje, de bladmuziek, te weten een zangstem met pianobegeleiding. Het lied is niet strofisch, maar doorgecomponeerd, dat wil zeggen dat elke tekstregel in het belang van de expressiviteit zijn eigen muziek heeft. De muziek stelt trouwens hoge eisen in die zin dat de zangmelodie een behoorlijk hoge ligging heeft. Heije bezat blijkbaar zo’n stem. Op de compositie is wel weer het een en ander aan te merken, maar met Asselbergs moet worden toegegeven dat Heije zijn theoretische desiderata in elk geval gedeeltelijk in praktijk brengt doordat ‘elke wisseling van stemming in de tekst door de muziek op de voet gevolgd wordt’ (Asselbergs 1966: 273).
In zijn vriendenkring heeft Heije met zijn lied veel succes gehad. Dat kunnen wel afleiden uit zijn verzoek aan uitgever Immerzeel om hem naast de ontvangen zes overdrukjes, voor zijn rekening, nog eens 50 of in elk geval 30 overdrukken te sturen, vanwege de uitgebreidheid van zijn ‘betrekkingen’ ofwel relaties (brief aan Immerzeel van 25 november 1835). Misschien gestimuleerd door dit succes ondernam hij een groter waagstuk.

5. Een prijsvraag
In 1832 was door de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst een prijsvraag uitgeschreven, waarvan een onderdeel luidde: ‘Eene Ouverture en Entre’actes voor Vondels Treurspel Gijsbrecht van Amstel, benevens eene Compositie voor het in dat stuk, bij de voorstellingen op onze Toneelen gezongen wordend Nonnenchoor aan het slot van het IIIe Toneel IIIe Bedrijf. Premie bij bekroning f 300,-.’ Zulk soort prijsvragen waren in de 19e eeuw heel gebruikelijk, niet alleen op muziekgebied overigens. Ze hebben een positieve invloed gehad op het niveau van het componeren. De ingezonden werken werden namelijk ter beoordeling voorgelegd aan gezaghebbende binnen- en buitenlandse musici. Anderzijds was de prijsvraag voor componisten vaak de enige manier om met hun werk inkomsten te verwerven. Overheidssubsidie bestond niet en mecenassen waren er weinig. In elk geval doen alle componisten aan de prijsvragen mee, ook de ‘groten’. Van Bree wijst zelfs de uitnodiging van Toonkunst om als beoordelaar op te treden af, omdat hij anders zelf niet kan meedingen.
Dat Heije aan de prijsvraag meedeed, kan niet uit financiële noodzaak zijn geweest. Heije was sinds zomer 1832 als huisarts in Amsterdam gevestigd. Hij had dus een behoorlijk inkomen. Verder woonde hij in bij zijn ouders, in het benedenhuis alias sousterain, op het tegenwoordige adres Prinsengracht 983A, tussen Vijzelstraat en Reguliersgracht. Daar zette Heije zich aan het schrijven van wat een grote orkestpartituur moest worden en wat het ook geworden is; dat doen de openingsmaten die ervan bewaard gebleven zijn, tenminste wel vermoeden (Asselbergs 1966: 149). Het blijkt ook uit de opmerkingen van de latere beoordelaars. Al bestond er nog niet zoiets als een echte vakopleiding voor componisten, het is toch verbazingwekkend dat Heije als dilettant zo’n waagstuk durfde aan te pakken.

Wanneer hij aan zijn compositie begonnen is, is niet bekend, wel ongeveer wanneer hij hem voltooid heeft. Dat moet geweest zijn in april 1836. De eraan voorafgaande jaren had de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst de prijsvraag telkens weer verlengd, blijkbaar omdat er geen of geen geschikte inzendingen waren binnengekomen. De prijsvraag werd tenslotte nogmaals verlengd tot 31 maart 1837.
Op 30 april 1836 was bij de fungerende secretaris van het Hoofdbestuur, H.J. Soury te Den Haag, een prijsantwoord bezorgd onder het motto Die tusschen hoop en vreeze drijft (J. van Vondel), naar later bleek Heijes inzending. Dat het reglement steeds ‘inzending onder motto’ voorschreef met bijsluiting van een verzegeld naambriefje, was ter garandering van (ook hier) de anonimiteit van de inzender en de objectiviteit van de beoordelaars.
Voordat het zojuist ingezonden werk aan buitenlandse beoordelaars werd voorgelegd, vroeg het Hoofdbestuur aan de vaste beoordelaar Carl Mühlenfeldt, directeur van de Rotterdamse afdeling van ‘Toonkunst’, een preadvies over eventuele rondzending van de partituur aan buitenlandse beoordelaars. Zijn advies is duidelijk. Hij schrijft op 2 october 1836 aan secretaris R. T. Brem te Rotterdam (in het Duits): ‘Het zwakste van de drie werken [zoveel had M. er moeten beoordelen. js] is de muziek bij Gijsbrecht van Amstel. De tijd die de componist eraan besteed heeft, is verspilde tijd. Moge dit maakwerk de Hollandse grenzen niet overschrijden. Aan de eerste maten is al te zien wat men bij verder bladeren kan verwachten.’

Alsof Heije lucht gekregen had van dit verpletterende eerste oordeel, verzocht hij veertien dagen later (15 oktober 1836) aan de Algemeen Secretaris van de Maatschappij, A.C.G. Vermeulen, >het stuk muzijk te rug te zenden’. Het is ook mogelijk dat hem ter ore was gekomen dat de Maatschappij tijdens de Algemene Vergadering van 31 augustus/1 september 1836 had besloten om aan de prijsvragen een verklaring toe te voegen: ‘dat hoezeer de Maatschappij volgaarne de jeugdige Componisten wil behulpzaam wezen door hunne werken aan het oordeel van bekwame mannen te onderwerpen en die beoordeling aan de schrijvers mede te deelen, zij echter in billijkheid meent te mogen verwachten dat aan haar, tot gemeld einde, geene werken zullen worden ingezonden, waarin een volslagen gemis aan grondige schoolstudiën doortstraalt of die niet meer zijn dan oefeningen van eerstbeginnenden.’ (Asselbergs 1966: 148). Woorden die bij uitstek geschikt zijn om een beginneling onzeker te maken.
Vermeulen heeft de partituur aanvankelijk niet geretourneerd. Hij deelde Heije mee dat er al beoordelaars waren aangewezen; het manuscript lag overigens nog wel bij hem thuis (18 oktober). Heije zal van dat eerste wel geschrokken zijn, maar hij liet het niet merken. Een week later (25 oktober 1836) schrijft hij Vermeulen opnieuw: ‘of het niet mogelijk is, voor eenige dagen mijn werk nog eens terug te hebben, om het nog eens door te zien.’ Vermeulen gaat ditmaal op zijn verzoek in: ‘Hiernevens op uw verzoek de Ouverture terug: ik verwacht dezelve vóór medio November weder’ (27 oktober).
Als Heije zijn partituur dan eenmaal in huis heeft, vraagt hij ook nog eens om uitstel van terugzending: “Mijn vriendelijk verzoek is of UEd. mij nog eenige dagen permissie wilde geven aangaande het stuk muzijk gijsbregt van Amstel motto: die tusschen hoop en vreeze drijft, terwijl de Copist mij te leur heeft gesteld, in dien het zelve niet kan geschieden, zoo verzoek in [sic] vriendelijk terstond antwoord, want dan zal ik het terstond zenden zooals het is, in afwachting dat ik in mijn verzoek zal slagen zoo noem ik mij u Dienstw. Dienaar J.P. Heije” . Blijkbaar heeft hij er toch het een en ander in veranderd. Opvallend voor wie de latere brieven van Heije kent, is vooral het onderdanige en onbeholpen karakter van deze brief. De stijl contrasteert trouwens ook heel sterk met die van zijn artikelen uit deze periode, alsof hij zich ook op deze manier opzettelijk onherkenbaar wilde maken. Eindelijk, op 20 november stuurt hij de partituur terug.

6. Een Afwijzing
De twee adviseurs, J.H. Kufferath, musicus te Utrecht en Johannes van Bree, te Amsterdam, waren zo mogelijk nog negatiever dan prae-adviseur Mühlenfeldt. Kufferath stuurde de partituur terug met een begeleidende in het Nederlands gestelde brief, gedateerd 26 december 1836, waarin hij zijn oordeel gedetailleerd motiveert. Zijn belangrijkste bezwaar is dat het werk geen structuur heeft; verder merkt hij op: ‘de behandeling van Orchest en voral die der blaasinstrumenten toonen van noch niet genoegzame studie om een diergelijk werk te kunnen onderneemen. Waaren er weiniger fouten in geweest, zo zoude ik voortgegaan zijn hier en daar antetoonen, hoe zij te verbeeteren waaren geweest.’ Vervolgens geeft hij toch een aantal suggesties voor verbeteringen en correcties van aperte fouten, slordigheden, maar ook zonden tegen de (toen geldende) regels van de harmonieleer. Verbeteren blijft onbegonnen werk. ‘Over het geheel zijn de effektbereekeningen van een zonderlijken aardt, en is het te beklagen dat de Componist zich niet eerst meer in kleindere stukken de behandeling van het Orchest en vorall der blasinstrumenten heeft zoeken aanteeigenen , alvoorens met een werk van deezen omvang te beginnen’. De conclusie luidt dan ook: ‘Naar mijn inzien is deeze Muzijk niet van dien aardt om wel aanspraak op bekrooning te kunnen maken’.
Een half jaar later ongeveer, 9 juni 1837, is Van Bree met zijn beoordeling gereed. Ook hij vindt dat het werk niet bekroond kan worden, ‘daar ik die Compositie van weinig waarde vindt, en op sommige plaatsen wel eens slecht kan genoemd worden….. Ook had de Componist beter gedaan met het reeds bestaande en voor mij zoo schoon Kerslied er in te laten, in plaats van ZEds niets beduidend gezang.’
De Achtste Algemeene Vergadering van Toonkunst (31 augustus 1837 te Rotterdam) conformeerde zich aan het oordeel van de beoordelaars. Ook in het gedrukte en openbare Verslag van die Vergadering kwam het te staan: ‘Dat het eerstgenoemde (te weten het prijsantwoord met het motto “Die tusschen hoop en vreeze drijft”) door de Beoordeelaars te weinig verdiensten is toegekend om in aanmerking te kunnen genomen worden’. En als dan de Maatschappij bij het uitschrijven van de nieuwe Prijsvragen opnieuw verzoekt toch vooral geen beginnerswerk in te sturen, ‘terwijl de Maatschappij tevens den Componisten in het algemeen aanbeveelt, om zoo veel mogelijk zelve hunne werken van schrijffouten te zuiveren, en alvorens dezelven in te zenden behoorlijk te pagineren’14 , dan heeft men de neiging dat ook maar op die arme Heije te betrekken.
Al werd het oordeel van de beoordelares openbaar gemaakt onder de dekmantel van het motto, ook zo moet deze afwijzing voor de ambitieuze Heije buitengewoon teleurstellend en beschamend geweest zijn. Het betekende in elk geval het einde van de ‘componist’ Heije, want behoudens een paar melodietjes bij zijn eigen teksten, heeft hij nooit meer noten geschreven.
De partituur van Die tusschen hoop en vreeze drijft is niet bewaard gebleven.

7. Slot
Deze streep onder zijn toondichterlijke ambities betekende allerminst het einde van Heijes bemoeienissen met de muziek, want binnen enkele jaren (1842) zou hij in het Hoofdbestuur van Toonkunst gekozen worden, en vervolgens als secretaris van dat Hoofdbestuur worden aangewezen: Heije in de op zijn lijf geschreven rol van Herr Director, zoals hij een tiental jaren eerder door Potgieter om zijn regelzucht genoemd was. Dan zijn eindelijk de rollen omgekeerd en goed verdeeld, want nu deelt Heije de lakens en de prijzen uit. In zijn functie als secretaris
was hij ook degene die prijsvragen uitschreef en compositie-opdrachten verstrekte. En belangrijke buitenlandse gasten uitnodigde, zo bijvoorbeeld bij gelegenheid van het groots opgezette Muziekfeest in 1854, te Rotterdam, ter viering van het 25-jarig bestaan van Toonkunst. In Toonkunst maakte hij kennis met medebestuurslid J.J. Viotta, die naast zijn beroep als medicus ook aan muziek deed. Zo ontstond een unieke samenwerking die leidde tot de creatie van de bekende kinder- en volksliederen. Het duo Heije/Viotta heeft er een kleine 20 gemaakt. Maar Heije bleek ook een man met visie. Op 19 november 1868 werd op zijn initiatief de ‘Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis’ (VNM) opgericht. De VNM is daarmee de oudste musicologische vereniging ter wereld. Doel van de Vereeniging was het verrichten van historisch onderzoek naar de Nederlandse muziekgeschiedenis. Heijes initiatief was een groot succes: binnen vier maanden waren er 590 leden. Op 10 december 1868 publiceerde Heije een werkprogramma, waarin hij iedereen aanspoorde de uitkomsten van zijn of haar onderzoek aan hem mee te delen, zodat hij ze centraal zou kunnen archiveren en publiceren. In 1869 verschijnt de eerste reeks Berigten (over de componisten Jacobus Clemens non Papa, Jan Pieterszoon Sweelinck en Carolus Hacquart) in het tijdschrift Caecilia. In het najaar van 1869 verschijnt de eerste VNM-bladmuziekuitgave, Sweelincks Regina Coeli, tezamen met een biografische schets en bibliografische aantekeningen door H. Tiedeman. In de jaren zeventig verschijnen drie jaarboeken onder de titel Bouwsteenen. In de Bouwsteenen die in het voorjaar van 1876, kort na Heije dood verschenen, werd – nog ingeleid door Heije zelf- een eerste selectie uit de psalmen van Sweelinck gepubliceerd. De serie Bouwsteenen is later voortgezet en bestaat nog steeds, zij het onder een andere naam (website KVNM).
De Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Muziekgeschiedenis heeft Heijes betekenis voor de muziekgeschiedenis geëerd door de prijs die zij uitlooft aan jonge onderzoekers naar Heije te vernoemen. Een waardige compensatie voor de anonimiteit van al zijn populaire liedjes.

Literatuur

  • Aerts 1997 – R. Aerts:
    De letterheren; Liberale cultuur in de negentiende eeuw: het tijdschrift De Gids, Amsterdam, 1997.
  • Asselbergs 1966 – A.J.M. Asselbergs:
    Dr. Jan Pieter Heije of de kunst en het leven, diss. Utrecht, Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis. 1966.
  • Groenewegen 1894 – J.H. Groenewegen:
    Everhardus Johannes Potgieter. Haarlem, 1894.
  • Mathijsen e.a. [1976] – M. Mathijsen e.a.:
    Schandaal in Leiden, Amsterdam [1976].
  • Mathijsen 2002 – M. Mathijsen:
    De gemaskerde eeuw, Amsterdam, 2002.
  • Potgieter [1870]- E.J. Potgieter:
    Leven van R.C. Bakhuizen van den Brink, deel V van De Werken van E.J. Potgieter, derde druk, Haarlem, 1904.
  • Reeser 1950 – E. Reeser:
    Een eeuw Nederlandse muziek, Amsterdam, 1950.
  • Stroop 2002 – J. Stroop:
    ‘De nieuwe koers van Dr. Heije’. In: Literatuur zonder leeftijd 16e jaargang (2002), nummer 58, blz. 241-253.
  • Thomassen 1977 – K. Thomassen:
    De “Vriend des Vaderlands” en de “Muzen”, onuitgegeven doctoraal scriptie. Leiden, 1977.
  • De Waal 1918 – J.M. de Waal:
    ‘Briefwisseling van Aernout Drost met Potgieter en Heye, in Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 37 (1918), blz. 81-151.
  • Van Zonneveld 1983 – P. van Zonneveld:
    Het dagboek van de student Nicolaas Beets 1833- 1836, uitgegeven enz. door — , ’s Gravenhage, 1983.
  • Koninklijke Vereniging voor Nederlandse muziekgeschiedenis

Noten

  1. Van Renesse heeft Heije persoonlijk gekend. Heije was ook op de hoogte van diens plan een biografie te schrijven. Die schijnt althans in manuscript voltooid te zijn, maar is tot op heden onvindbaar gebleven. Van Renesse heeft wel zijn biografische schets over Heije uitgegeven. Wat we nu hebben is een korte biografische schets, wellicht een samenvatting van een groter werk.
  2. Deze regels zijn uit een versje geschreven op een kaart die gedateerd is 1 mei 1863. Het bevindt zich in het Letterkundig Museum te Den Haag.
  3. Het huis droeg eerst nummer Herengracht X 74; dat werd bij de omnummering in 1853 nummer X 410 en bij de laatste omnummering, die van 1875 nummer 483. In het kapitale huis zijn tegenwoordig vijf kantoren gevestigd. Heije woonde Prinsengracht 983A, dat is via de Vijzelstraat ongeveer 500 meter bij De Vries vandaan.
  4. Zoals blijkt bijv. uit de Prijsvragenbundel C (Archief Toonkunst. G.A.)
  5. Archief Toonkunst: Correspondentie, bundel III, 38 (2-11-1829) (G.A.)
  6. Het motto is een regel uit de Rey van Burghzaten, uit het eerste bedrijf van Gysbrecht van Aemstel.
  7. De letterlijke tekst: “Das schwächste der drei Werke ist die Musik zum Gijsbrecht van Amstel. Die vom Componisten darauf verwandte Zeit ist reiner Verlust für ihn. Möge dieses Machwerk doch nicht Hollands Gränzen überschreiten. Die erste Tacte zeigen zur Genüge was man bey weitern durchblättern zu erwarten hat.” (Asselbergs 1966, 149).
  8. Archief Toonkunst: Correspondentie, bundel IX, 60 (G.A.).
  9. Archief Toonkunst: Register Algemeen Secretaris 1835-1846, fol. 25 (G.A.).
  10. Archief Toonkunst: Register Algemeen Secretaris 1835-1846, fol. 25 (G.A.).
  11. Archief Toonkunst: Correspondentie, bundel IX, 66 (G.A.).
  12. Archief Toonkunst: Prijsvragenbundel C, 26-12-1836 (G.A.)
  13. Archief Toonkunst: Prijsvragenbundel C, 9-6-1837 (G.A.)
  14. Archief Toonkunst: Notulen 1837 (G.A.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
jan_stroop RT @vprogids: Poetin viert het niet, @AndereTijden wel: Andere tijden special: 100 jaar Russische revolutie, NPO2, 20.55 https://t.co/tTIEm
7hreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>