Vorken

Uit de Tuinkrant van Volkstuinvereniging ‘Nut en Genoegen’, augustus 2016

 

Van alle vorken die we kennen is de vork waarmee we eten de jongste. Etensvorken komen in West-Europa pas voor vanaf ongeveer de 14e eeuw. De vorken die in ’t boerenbedrijf en op de tuin gebruikt worden zijn veel ouder. Daar kennen we, in ons taalgebied, minstens vier verschillende namen voor: gaffel, vork, greep en riek.

 

Gaffel is een erfwoord uit ’t Germaans. ‘t Was vanouds de naam voor de houten vork, een geselecteerde tak die zo gegroeid is dat ie uitloopt in een vorkvormig deel. Hij had dus twee ‘tanden’. Aanvankelijk was deze gaffel in onze contreien de enige vork en die werd dan ook voor allerlei doeleinden gebruikt. Toen de ijzeren vork hier verscheen, bleef er van zijn taken voornamelijk nog deze over: ’t wenden van ’t hooi op ’t veld en ’t opschudden van ’t graan op de dorsvloer. Dat zijn lichte taken die een breekbare houten vork wel aankan. Bovendien heeft de houten vork ’t voordeel dat ie de zachte lemen dorsvloer of ’t dorskleed niet beschadigt.

 

De ijzeren vork die de plaats innam van de houten gaffel is ons taalgebied binnengekomen via Noord-West-Frankrijk dat ook ’t woord van de Romeinen heeft leren kennen. In dat gebied heeft ’t woord de Latijnse k bewaard: in Picardië zegt men fourkee, in de rest van Franrijk fourche. We hebben het hier over een nieuw soort vork, een van ijzer met twee tanden, die op een lange houten steel gemonteerd werd.

 

Aanvankelijk zal deze vork wel gewoon vork genoemd zijn. Samenstellingen als hooivork en mestvork zijn van later datum, toen ’t door de opkomst van andere soorten vork nodig werd ze te onderscheiden. Op de tuin zie ik trouwens nooit een hooivork gebruiken, maar wel vorken met vier of meer tanden.

 

Voor deze vorken komen in ’t Nederlandse taalgebied twee namen voor, greep en riek, vaak met de toevoeging mest-, dus mestgreep en mestriek. Van deze twee is greep de oudste benaming, denk ik. Dat leid ik af uit de verspreiding van die naam.

 

Hij komt voor in de periferie, de buitenkant, van ons taalgebied, onder andere in Noord-Holland (dus), in Groningen en Friesland, Gelderland en Overijssel, West-Vlaanderen en in de omgeving van Brussel. Dat zijn dezelfde gebieden waar in 16e eeuw greep gezegd werd. De beroemde woordenboekmaker uit die tijd, Cornelis Kiliaan, vermeldt namelijk dat ’t  fris.  fland. sax. sic. is, dat wil zeggen Fries, Vlaams, Saksisch en Gelders. Die oude greep had drie tanden (“hadde enen driegetanden yseren griep” 1480). Over etymologie, ofwel de oorspronkelijke betekenis van greep is men ’t eens: greep is afgeleid van ’t werkwoord grijpen.

 

Centraal in ons taalgebied ligt een riek-massief. Dat begint al bij de taalgrens en dat loopt helemaal naar Zeeland en Zuid-Holland, met uitlopers in Noord-Holland. Dat riek-gebied wordt omringd door restanten van een ouder greep-gebied. Riek heeft greep blijkbaar uit ’t centrum verdreven, als je dat van woorden zo kunt zeggen. De oudste betekenis van ’t woord is ‘mestvork’. Riek wordt in verband gebracht met een werkwoord reken, dat ‘bij elkaar halen’ betekent.

 

In de Zaanstreek en ook op de tuin van ‘Nut en Genoegen’ worden alle twee die woorden gebruikt. Dat heeft tot een betekenisspecificatie geleid want volgens sommige tuinders bij ons is greep de naam voor een vork met platte tanden. Die met ronde tanden heet dan riek. Maar of iedereen dat onderscheid maakt, weet ik niet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
jan_stroop RT @HumanitiesUU: Middelbaar onderwijs: besteed meer aandacht aan taalkunde! Marjo van Koppen en Jan Don @Neerlandistiek https://t.co/RbXw
23mreplyretweetfavorite
jan_stroop RT @Ned_Donovan: What an amazing photo https://t.co/7Re3pHlC5q
36mreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>