Aan de zelfkant van het Nederlands

recensie van: Nicoline van der Sijs (red.), Wereldnederlands; oude en jonge variëteiten van het Nederlands, Sdu Uitgevers, Den Haag 2005; 196 blz., prijs 24.99.
eerder verschenen in De Groene Amsterdammer, jaargang 129, nr. 32 (12 augustus 2005), blz. 42-43.

Dat Nicoline van der Sijs de naam van haar nieuwe boek Wereldnederlands gevormd heeft naar ’t voorbeeld van ‘wereldtaal’ is niet waarschijnlijk, want met de soorten Nederlands die in ’t boek aan bod komen, kun je allerminst in de hele wereld terecht. Integendeel, ’t zijn bijna allemaal variëteiten van ’t Nederlands die een beperkt gebruik kennen. In sommige gevallen doen de sprekers zelfs moeite om alleen in kleine kring verstaan te worden en wordt die kring expres gesloten gehouden. De enige taal die in dit opzicht, en ook nog in andere trouwens, afwijkt is ’t Afrikaans van Zuid-Afrika. Het dichtst komt de naam, die in het boek zelf niet toegelicht wordt, nog bij ‘wereldmuziek’, dat is muziek die afkomstig is van buiten ons werelddeel. Al geldt dat  laatste weer niet voor het Jiddisch-Nederlands (hier Jodenhoeks genoemd) en al helemaal niet, alweer, voor het Afrikaans, dat immers wel buiten ons werelddeel ontstaan is, maar nooit is teruggekeerd.
Wereldnederlands is een beschrijvend boek. In zes hoofdstukken worden in volgorde van hun ontstaan Afrikaans, Curaçaos-Nederlands, Indisch-Nederlands, Jodenhoeks, Surinaams-Nederlands en Turks- en Marokkaans-Nederlands besproken, volgens een min of meer vast patroon: historie, variatie binnen de variëteit, grammaticale afwijkingen van ’t Nederlands en de woorden die aan de ‘andere’ taal ontleend zijn en tenslotte een toekomstverwachting.

De behandelde variëteiten zijn allemaal later ontstaan dan het ABN, dat begin 17e eeuw wel zo ongeveer in grote lijnen zijn vorm gevonden had. Dat onderscheidt Wereldnederlands van de Nederlandse dialecten die immers juist ouder zijn dan ’t ABN. Al die soorten Wereldnederlands zijn dan ook min of meer afgeleid van ‘t ABN. De jongste soorten Wereldnederlands vertonen toch wel wat lokale verschillen. Marokkaans-Nederlands in Utrecht is bijvoorbeeld anders als dat in Rotterdam, maar dat heeft te maken met het feit dat het Nederlands dat er de basis van vormt, in die steden verschilt.
Er is nog een verschil tussen Wereldnederlands en de dialecten. Terwijl de laatste, ondanks een vermeende ‘dialectenrenaissance’, steeds minder gesproken worden, vertonen sommige soorten Wereldnederlands, namelijk de variëteiten die gesproken worden in kringen van de nieuwste immigranten, een bijzondere vitaliteit. Ze staan tegelijk volop in de belangstelling. Dat is niet ’t geval bij de drie oude variëteiten: ‘t Afrikaans, dat beschreven wordt door Fritz Ponelis, ‘t Indisch-Nederlands door Jan de Vries en ‘t Jodenhoeks, door Justus van de Kamp. Van de laatste twee talen zijn de overlevingskansen klein; ‘t Afrikaans moet opboksen tegen een overweldigende Engelse invloed. De Afrikaanse spreektaal is zelfs al een mengtaal geworden.

Van de overige talen staat ’t Curaçaos-Nederlands er ’t zwakst voor, maar dat heeft ook te maken met de vraag of ’t wel bestaat. Die vraag stelt zich ook de beschrijver, auteur Sidney Joubert. Hij beschrijft ‘t  Nederlands van Papiamentstalige Curaçaoënaars op Curaçao, maar dat is voornamelijk een kwestie van woorden. Ook op ‘t gebied van de grammatica is de oogst gering en in wat er is, zit geen systeem, aldus de Joubert. Wat blijft er dan over om toch van Curaçaos-Nederlands te blijven spreken? Bitter weinig al suggereert ‘t lange hoofdstuk ’t omgekeerde.

Het hoofdstuk over Surinaams-Nederlands bestaat uit twee delen: ‘t Surinaams-Nederlands in Suriname en ‘t Surinaams-Nederlands in Nederland. In ‘t eerste deel laat J. van Donselaar in de paragraaf ‘Verscheidenheid’ zien dat een beschrijver van ‘t Surinaams Nederlands anders te werk moet gaan dan iemand die ‘t Nederlands beschrijft. De laatste zal Nederlands opvatten als de dominante variëteit, ‘t ABN of Standaardnederlands. Van Donselaar stelt ‘t S-N voor als een glijdende schaal tussen twee uitersten: een S-N dat ‘zo weinig mogelijk van het Europees-Nederlands verschilt.’ Het andere uiterste is een Nederlands met een veelheid aan vooral Sranan-elementen, die dan vaak vernederlandst zijn. Dat betreft dan toch weer voornamelijk de woordenschat, in ‘t bijzonder ‘t contrastlexicon, zijnde woorden die alleen deel uitmaken van ‘t S-N. Het aantal specifiek Surinaams-Nederlandse grammaticale kenmerken is klein: ’t royale gebruik van gaan en zetten (‘ze heeft te veel parfum gezet’), ‘t weglaten van zich, er en andere kleine woorden: ‘waar ga je?’.

Het Surinaams-Nederlands in Nederland dat door Leonie Cornips beschreven wordt, is de taal zoals die gesproken wordt door vier (representatieve?) jongens uit Rotterdam. Alweer, mijn verhaal wordt eentonig, is ‘t toch ook hier voor 90% een kwestie van woorden. Maar er zijn toch ook syntactische verschillen. Die betreffen vooral verschijnselen die je ook hoort bij geboren Nederlands-sprekenden. Het beruchte hun hebben bijvoorbeeld, wat die jongens zonder twijfel van hun Nederlandse leeftijdgenoten overgenomen hebben. Iets anders is de afwijkende zinsvolgorde: toevallig hij is laatst doodgegaan (zonder inversie) en ik heb gehoord je hebt een vriend daar (hoofdzinsorde). Hier mag toch zeker aan invloed van ’t Engels gedacht worden, al komt een zin van ‘t tweede type ook in ’t Nederlands voor.

In ‘t hoofdstuk over Turks- en Marokkaans -Nederlands dringt zich bij mij, anders dan bij Van der Sijs, voortdurend de gedachte op dat al die afwijkingen van ’t Standaardnederlands te maken hebben met ‘t gebrekkig leren van ’t Nederlands. Elementen van het Standaardnederlands die de moedertaal niet of ánders heeft, gaan fout: weglaten van ’t lidwoord; ’t gebruik van alleen maar ’t lidwoord de: de station ; ook de al genoemde inversie blijft achterwege. Bij er en het, bekende lastige syntactische elementen, zien we in dit Nederlands dezelfde weglatingsverschijnselen als in ’t Surinaams.

De auteurs (’t zijn er 5) van dit wat chaotische hoofdstuk tonen aan dat ‘Allochtoon Nederlands’ van de  tweede generatie vooral Marokkaans-Nederlands is. Wat vooral te horen is aan een paar fonetische kenmerken: een duidelijk stemhebbende z: zzoek zzelf maar uit; en de tongpunt-r. Ze spreken zelfs van een ‘standaard-etnisch Nederlands op Marokkaanse grondslag’ dat functioneert als identiteitskenmerk. ’t Specifieke karakter verklaren ze uit de dominerende positie van de Marokkaanse jongeren.

De verschillende variëteiten van Wereldnederlands danken hun specifieke karakter zowel aan de moedertaal (de eerste ) taal van de sprekers als aan ‘t Standaardnederlands of enige vorm van Substandaardnederlands. De diverse moedertalen zijn terug te vinden in de afwijkende uitspraak van de Nederlandse spraakklanken en in de zinsmelodie. Het Nederlands doet zich bij de etnische variëteiten gelden op ‘t terrein van de woordvorming en de zinsbouw. Bij alles wat daar afwijkt van de moedertaal of wat te complex is (een mooi feest > een mooie feest:  een bijvoeglijk naamwoord bij een onzijdig zelfstandig naamwoord krijgt geen uitgang mits dat zelfstandig naamwoord voorafgegaan wordt door ’t onbepaalde lidwoord) ontstaan ‘fouten’ alias nieuwe vormen. Bij de jongere generatie sprekers zijn veel van beide soorten kenmerken nog aanwezig, plus natuurlijk een behoorlijke hoeveelheid leenwoorden.

Opvallend is dat alle auteurs die de soorten etnische variëteiten van het Nederlands bespreken, uitgezonderd Cornips, ze geen grote toekomst beloven. Ze verwachten dat ’t Standaardnederlands de norm zal blijven en dat de invloed van de migrantengemeenschappen op die taal minimaal zal zijn, zelfs wat betreft de woordenschat. Etnisch Nederlands blijft de taal van subculturen en wordt allerminst de nationale taal, laat staan een wereldtaal.

Deze ontnuchterende conclusies van specialisten verrassen me wel. Ik vraag me zelfs af of ze niet te optimistisch zijn, optimistisch, gedacht vanuit ’t Standaardnederlands dan. Nu al vormen de kinderen op de basisschool die geen geboren Nederlandssprekende ouders hebben de grootste groep. Ons huidige onderwijssysteem is er steeds minder op uit kinderen iets te leren of af te leren, veel onderwijzers spreken verre van goed Nederlands en bijna alle veranderingen die in ‘t etnische Nederlands voorkomen, horen we ook van geboren-sprekers: ‘Omdat ik doe dat liever niet’; ‘een beleid die we nu al jaren voeren’ (woorden van burgemeester Deetman, Den Haag); ik kijkt. En wat de uitspraak betreft. Ook Nederlanders gebruiken steeds meer de beklemtoonde vorm van de voornaamwoorden. Mag ik jou wat vragen?; wat wij gedaan hebben; waar ben jij?

Beslissende vraag is dus veel eerder of ‘t Standaardnederlands of liever nog ’t ABN (waar je niet aan hoort waar iemand vandaan komt) op den duur voldoende prestige overhoudt om de veranderingen tegen te houden. Want van beleid ten aanzien van de taalnorm heeft onze overheid nog nooit gehoord; die heeft daar geen oren naar. Maar misschien dat ’ t boek van Van der Sijs, dat  een goed leesbaar overzicht geeft van wat er zich aan de zelfkant van ’t Nederlands zoal afspeelt, ze ook aan ’t denken zet, bijvoorbeeld over de toekomst van ‘t Standaardnederlands.

Twitter
jan_stroop @TaalcentrumVU Toch met nogal wat zinnen die door hun opbouw verkeerde zinsaccenten in de hand werken.
3hreplyretweetfavorite
jan_stroop RT @_basjacobs: Schokkende grafiek in #Miljoenennota: reële besteedbare huishoudinkomens zijn sinds 2001 niet gestegen = reële voedingsbode…
5hreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>