Over het Journaal van de gezusters Lammens (1736)1

Eerder verschenen in Taal in tijd en ruimte (afscheidsbundel voor Cor van Bree, Leiden, 1997), blz. 193-199

Het lijkt zo gewoon: twee zusjes, voor en achter in de twintig, die samen met hun broer een reis naar Indië maken, maar dat was het niet in 1736. In dat jaar vertrok Pieter Lammens, jurist in dienst van de Verenigde Oostindische Compagnie, naar Batavia, om daar de functie van buitengewoon Raad van Justitie te gaan uitoefenen. Zijn zusters, Maria en Johanna, hadden, omdat ze zijn zusters waren, toestemming gekregen om tegen betaling de reis mee te maken, enkele reis, wel te verstaan. Waarom de gezusters Lammens met hun broer meegingen, staat niet vast. Misschien hoopten ze er een goede huwelijkspartij op te doen of gingen ze alleen maar mee om het huishouden van hun broer te doen (Barend-Van Haeften 1996, 24).

Anderzijds was het vrij gewoon dat reizigers tijdens de tocht een dagboek bijhielden. Daar waren verschillende redenen voor. In de eerste plaats was het een gedegen middel om de tijd door te komen: zes maanden op een schip en niets om handen hebben, is natuurlijk iets vreselijks. Amper vertrokken en met Walcheren nog achter zich zichtbaar, grijpen de dames al naar hun brijsels. Een journaal was bovendien ook altijd heel plezierig voor achtergebleven familie en vrienden. De gezusters Lammens geven in hun Journaal aan het eind ook te kennen dat ze zich bij het schrijven tot hun vrienden richtten: ‘hoope de vrinden dit (Journaal, js) uijt genegentheijd sullen leesen’ (Barend-Van Haeften 1996, 118). Een journaal bijhouden was ook haast traditie voor reizigers naar de Oost.
De gezusters stamden, dat is al duidelijk, uit een gegoede familie, en wel de burgemeestersfamilie Lammens uit Axel. Toen hun vader Anthony Lammens in 1702 ingeschreven werd in het poorterboek van Vlissingen, kwam hij ook uit Axel vandaan. Later werd hij rentmeester o.a. van de prinselijke domeinen van Hulsterambacht in oostelijk Zeeuws-Vlaanderen. Maria en Johanna (en ook broer Pieter) zijn gedoopt in de Hervormde kerk te Hontenisse (bij Kloosterzande). Maria is geboren in 1709, Johanna in 1713. Hoe lang ze daar, dat wil zeggen in het oostelijke deel van Zeeuws-Vlaanderen gewoond hebben is niet bekend. Wel dat het gezin in 1726 in Vlissingen woonde, toen vader daar tot schepen werd benoemd. De meisjes waren toen resp. 17 en 13 jaar.
Toen ze op woensdag 28 maart 1736 te Middelburg aan boord gingen van de Adrichem was Maria 27, Johanna 23. Het lijkt erop dat ze al meteen de eerste dag aan hun Journaal begonnen zijn. We moeten hier spreken van ‘hun’ Journaal, omdat niet uit te maken is, wie van beiden schreef of dat ze het allebei deden. Waarschijnlijk schreven ze om de beurt. Dat is allemaal niet vast te stellen omdat het bewaard gebleven Journaal een kopie is, die door één hand is vervaardigd, namelijk door die van broer Pieter, de jurist. Misschien kan hier stilistisch onderzoek uitsluitsel geven, want de kopiist lijkt heel nauwkeurig te werk gegaan te zijn, gelet op allerlei eigenaardigheden die op het eerste gezicht inconsequenties zijn, o.a. in de spelling.
Het Journaal van de gezusters Lammens is voor zover bekend het enige door vrouwen geschreven dagboek van een reis naar Indië. Dat het door vrouwen geschreven is, heeft tot gevolg gehad dat we een heel ander soort verhaal voor ons hebben dan we van mannelijke auteurs in dit genre gewend zijn. Veel meer oog voor details en voor het alledaagse. Dat levert ook een ander lexicaal beeld: andere woorden en uitdrukkingen. Af en toe komt de stijl heel dicht bij die van het praten. Trouwens in meer opzichten is dit Journaal voor taalkundigen interessant. Daar een indruk van te geven is de bedoeling van deze bijdrage.
Wat al op de eerste bladzijde opvalt, is de weinig formele stijl. Dat bracht ook de daar beschreven situatie wel met zich mee: zuster Maria wordt zeeziek en haar overkomt wat zeezieken doorgaans passeert: ze moet kalven (‘braken’). Maar de licht ironische toon is gezet en die blijft tot het eind toe gehandhaafd, wat de lectuur van het Journaal tot een aangename maakt. Ook in grammaticaal opzicht ontbreekt het formele. De interpunctie is doorgaans afwezig en in veel zinnen het subject. Formeel en ouderwets is daarentegen weer het frequente gebruik van absolute constructies als de wint sterk toenemende (91).
Het tweede wat opvalt is het grote aantal Franse woorden. Dat is op zich niet zo vreemd, want het Frans neemt al sinds de 17e eeuw een grote plaats in in het lexicon van de ontwikkelde Nederlander (Van der Wal 1992, 254). Wel moeten we in aanmerking nemen dat we hier een tekst hebben die in dezelfde tijd ontstaan is als veel werken van Justus van Effen, en maar liefst vijftig jaar voor Betje Wolff en Aagje Deken, maar bovenal dat Zeeland toch een betrekkelijk afgelegen regio was, ver van het spraakmakende centrum van de Republiek. De gezusters Lammens lijken wel enigszins op de door Wolff en Deken bekritiseerde verfranste juffertjes (Van der Wal 1992, 254), al maken zij niet de indruk te willen koketteren. Het was hun gewone schrijfstijl. De schrijfsters waren goed op de hoogte van het Frans. Ze hebben waarschijnlijk wat kindschool-Frans op de Franse school geleerd en hebben blijkbaar weet van de mode om het Nederlands met wat Franse woorden op te sieren.
Kenmerkend is dat er zoveel adjectieven en werkwoorden in de groep leenwoorden zitten en voorzover het substantieven betreft, gaat het meestal om abstracta; assietten (‘borden’) is een van de weinige niet abstracte begrippen in de lijst Franse ontleningen. De meeste horen tot de zgn. woorden voor ‘mondelinge omgang’ met als belangrijke subgroep de ‘Konversatiewoorden’ zoals Salverda ze noemde:
“Voor het grootste deel zijn het woorden die in een gemeenzaam gesprek vaak voorkomen en die eigenlijk alleen dienen ter versterking (bijv. affreus, exquis, kolossaal, violent). [Ze kenschetsen] de gesprekstoon van de meer ontwikkelde kringen der maatschappij. Bijna alle zijn ook in gebruik buiten de enge aristokratiese of pseudo-aristokratiese kringen waar van Franse woorden misbruik wordt gemaakt” (Salverda de Grave 1906, 90-93).
Daarbij zijn ook wel woorden die de gezusters Lammens letterlijk van ‘horen zeggen’ kennen; dat bewijst het grote aantal verkeerde spellingen: emediaet (70: ‘immediatement’); filisitasie (75: ‘felicitatie’); onorable (63: ‘honorable’), enz.. Andere woorden uit de categorie adjectieven, iets beter gespeld ditmaal, zijn: admirable, affreus, apparent, assurante, complesant, confuijs, considerabel, differente, distink, exelent, extraordinair, favorabel, fisieus, inpassant, inregulier, melankolijk, notabel, ordinaire, remarkabel, terrible, variable. De vraag in hoeverre ‘converseren’ in de betekenis die er in de 18e eeuw en door Salverda aan gegeven werd en waarbij woorden van dit type zeer frequent zijn, een vrouwelijke aangelegenheid is geweest, kan ik alleen maar stellen, hoezeer het antwoord me ook interesseert.
Trouwens Salverda heeft al geconstateerd dat in de door hem onderzochte bronnen van vrouwelijke schrijvers de  ‘konversatiewoorden’ in de meerderheid zijn, dan volgen de woorden voor ‘omgang’, dan die voor ‘karakter’, daarop die voor ‘omgang met woorden’ en eindelijk de ‘algemene woorden’. Bij mannelijke schrijvers is de frequentievolgorde ongeveer het omgekeerde (Salverda de Grave 1906:106).
Dat de schrijfsters sommige Franse woorden waarschijnlijk uit lees- of leerboeken vandaan hebben, blijkt wel uit de toen veel gebruikte uitdrukking ap.- en dippendentie (92 ‘met alles erop en eraan’), die ze schrijven in de traditionele afgekorte vorm. Zoiets moet je, hoe dan ook, gezien hebben, anders schrijf je dit niet zo. Ook dat is weer een aanwijzing dat ze hun kennis van het Frans voor een deel ook op school, of op zijn minst uit leerboekjes opgedaan hebben.
Het gebruik van Franse woorden was in de 18e eeuw algemeen, wat niet wil zeggen dat de woordenschat overal dezelfde was. Maar het gaat wel steeds, in beide regio’s, om woorden van hetzelfde soort, vooral conversatiewoorden dus. Een aantal Franse woorden komt (voor zover bekend en met behulp van de onwaardeerlijke CD-Rom WNT is na te gaan) in het dagboek van de gezusters Lammens voor het eerst voor, wat overigens nog niet wil zeggen dat ze daar voor het eerst gebruikt zijn. Het zijn o.a. de volgende: affreuse, agitasie, assietten, consumeeren, convertisie (misschien een Lammense variant van conversie), gedepescheert, diverteeren, emediaet, extraordinair, extravagansie, fatigant.
Een aardige vorm die laat zien hoezeer sommige Franse woorden zich al aan het Nederlands hadden aangepast, is: gefatigeert sijnde (99) voor ‘vermoeid zijnde’. En tenslotte valt op dat de meeste van deze woorden tegenwoordig niet meer gebruikt worden. Behalve eerstelingen zijn het dus ook vaak eendagsvliegen gebleken.
De invloed van het Frans op het Nederlands was dan wel algemeen, maar van een gemeenschappelijk of Algemeen Nederlands is nog niet veel te merken. Er bestond in ‘de provincie’ nog een grote onbekendheid met dat algemene Nederlands, ook al werd dat in de 17e eeuw in de Randstad al volop gepropageerd (zie Daan 1989). Het Nederlands van de gezusters Lammens bevat elementen die weliswaar nog steeds bestaan, maar juist niet in het Algemene Nederlands. Ik neem een voorbeeld.
Op verschillende plaatsen gebruiken de schrijfsters de vorm: we bennen of zelfs (we) ben (resp. 78, 91 en 66, 91). Ongetwijfeld in de veronderstelling dat die vorm beschaafd Nederlands was. Ze kenden we ben(nen) uit het Zeeuwse dialect, wat voor hen nog niet betekende dat het daarom niet in de schrijftaal thuishoorde. Heel anders dus dan bijvoorbeeld P.C.Hooft die hier schrijft we zijn, terwijl in de Hollandse dialecten, o.a. dat van de stad waar hij woonde, de vorm we bennen toch heel normaal was. Deze vorm had in de Randstad de lage status die verhinderde dat hij in het Algemene Nederlands een plaats kreeg.
In het Journaal zijn tal woorden en vormen aan te wijzen die nooit ‘algemeen’ geweest zijn en het ook niet geworden zijn. In 1736 werd er blijkbaar in de Zeeuwse steden een Nederlands geschreven dat verder af staat van het hedendaagse Nederlands dan bijvoorbeeld het Nederlands van 17e-eeuwse schrijvers als Vondel, Hooft en Huygens. En toch hebben Maria en Johanna Lammens de intentie gehad om goed Nederlands te schrijven. Dat ze dat wilden, blijkt o.a. uit hun excuses aan de lezer: ‘soo sullen wij sluijten, wenschende en versoekende aan den leser dat gelieft met oogluijkinge, stijl en spellinge voor bij te gaen en te denken van twee onnoosele schepsels alleen uijt grappen is opgestelt’, zich niet realiserend dat niet hun spel- en stijlfouten, maar juist hun regionalismen (en hun Franse woordenschat) het meest opvallend zijn (Barend-Van Haeften 118).
Eigenlijk al hun afwijkingen van het Algemene Nederlands zijn regionalismen, of hebben met de regio uit te staan. Dat laatste is het geval bij woorden die met een h beginnen of waarbij dat het geval zou kunnen zijn. Zeeland ligt in het gebied waar de h geen foneem is (Weijnen 1991, 125). Wie Nederlands wil schrijven (of spreken) en dat weet, is extra alert op juist deze sjibbolet-achtige situatie. We vinden in het Journaal beide kanten van de medaille: woorden ten onrechte zonder h gespeld: oog (73, ‘hoog’); ottentot (97, ‘Hottentot’); oosde (111, ‘hoosde’); aspel (112/3, ‘haspel’) en zelfs de plaatsnaam Amburgh (58, ‘Hamburg’). En de andere zijde, woorden ten onrechte mét h gespeld: hangst (68); haesen op (75, ‘azen op’); gehoopent (81); huur (102); heven (105); helft (78, ‘elft, soort zeevis’). Ook deze neiging tot hypercorrectie is trouwens een aanwijzing dat ze streefden naar een ‘hoger’ Nederlands. De taal die ze schreven of beoogden te schrijven was voor hen een ‘Tweede Taal’. Zoals steeds leidt zo’n tweetalige situatie tot hypercorrectie; het is er zelfs een voorwaarde voor.
Er vindt op ruime schaal t-deletie plaats: kosjen (56); laaste (56); gekwest (79); beesjes (81, 97); posjen (104); resje (108); grooste (112); nagje (113); rusbank (114).
Iets wat lijkt op t-epenthese komt ook voor; het is het gebruik van de diminutief-allomorf -tje, na lettergrepen waar hij in het Nederlands niet gebruikelijk is: stucktje (71); stormtje (72); gebacktjes (98); varktje (84). Naast deze laatste vorm komt ook voor varkje (83), zoals naast coptje (85, 101) ook copje (102) voorkomt. Misschien ook een soort hypercorrectie.
Een andere afwijking van wat in het Algemene Nederlands van de 18e eeuw werd voorgeschreven, is hun consequente gebruik van als bij comparatieven: eer slimmer als beter (86); veel grooter als tgevaar (86). Dit valt des te meer op omdat het gebruik van dan in de 18e eeuw zo nadrukkelijk gepropageerd werd (Van der Wal 1992, 237). Die propaganda heeft blijkbaar omstreeks 1736 de elite van het eiland Walcheren nog niet bereikt.
Maar er is meer, waardoor dit Journaal een sterk on-Hollands en Zeeuw-regionaal karakter heeft, wat merkwaardig is gelet op de instelling die bij de gezusters Lammens geconstateerd kan worden. Het voorkomen van regionalismen als zodanig is overigens niet zo uniek. In de achttiende eeuw komt het meer voor (Van der Wal 1992, 253), zij het toch vrij zelden.
Het meest omvattende dialectkenmerk van Zeeuwse dialecten is dat ze niet diftongeren. Maar hier rijst een probleem, want hoewel het vrijwel zeker is dat de gezusters Lammens geen diftongen spraken, is het moeilijk uit te maken of ze ze misschien wel schreven. Dit zijn de feiten. De gepalataliseerde Westgermaanse û: wordt altijd eender gespeld, namelijk als uij. Dat is het geval in Franse leenwoorden met een [y:], refuijs, maar ook vóór r: uijr. Hier staan deze letters zeker voor een [y:]-uitspraak. maar of dat ook het geval is bij: geluijt, kruijpen, schuijtje (53) en vele andere, is bij ontstentenis van een woord met û2, niet te zeggen.
Bij de oude î is een spellingvergelijking wel mogelijk. Er zijn voldoende woorden met die oude î als ook met oude ai. Maar hier constateren we het ontbreken van een systematiek. Veruit de meeste representanten van de oude î worden gespeld met ij (of i): wij, sijn, bij, vrij, mijn, diergelijcke, koninkrijken (alle bladzijde 53). De meeste oude ai’s worden met eij gespeld: beijde, capteijn, eijgen, benaeutheijt, meijt (alle bladzijde 53). Op beide regels zijn nogal wat uitzonderingen: brijsels en brijen ( 54, = breien); tijken (= elders teijken ‘teken’); reijden, reijtuijg (97); reijm (118). De ij wordt zelfs geschreven in drij (112, ‘drie’). Inconsequente spellingen bij hetzelfde woord, naast het al genoemde tijken: de FN Bilevelt (91, 93) t.o. Bijlevelt (70). Dit geeft in elk geval de zekerheid dat die naam als Bielevelt werd uitgesproken. Maar een dergelijke zekerheid bestaat meestal niet en de uitspraak van een familienaam helpt ons niet, want die behoudt in de regel zijn uitspraak en is (aanvankelijk) niet onderhevig aan een reguliere klankverandering (Stroop 1993, 19).
De gezusters Lammens zijn in de Hervormde Kerk van Hontenisse gedoopt, niet in Axel, wat men zou verwachten. Tussen Hontenisse en Axel loopt een van de belangrijkste isoglossenbundels die het Nederlandse taalgebied kent, de isoglosse die het diftongeren van [y:] en [î:] scheidt van het niet diftongeren. De diftongering vertoont zich hier vrijwel zonder enige lexicale diffusiteit. Alle î-woorden zijn ten oosten van de isoglossen gediftongeerd, ten westen niet één. De isoglossenbundel valt hier bovendien samen met een religieuze grens: ten oosten katholiek, ten westen protestant. Axel is protestant, Hulst is katholiek, maar Hontenisse, waar de familie Lammens kennelijk woonde ook. Die Hervormde kerk moet er alleen voor de familie Lammens gestaan hebben.
De klankgrens tussen Axel en Hulst valt ook samen met een paar lexicale grenzen. En dat maakt het mogelijk om iets te weten te komen over de plaats waar de gezusters Lammens hun eerste taal geleerd hebben.
Maar om te beginnen zijn er veel woorden die algemeen Zeeuws, maar niet specifiek voor het oostelijke deel van Zeeuws-Vlaanderen. Ze laten natuurlijk wel zien hoeveel regionalismen er te vinden zijn in de schrijftaal van twee welopgevoede meisjes uit Zeeland, die een goede opvoeding gehad moeten hebben ook al noemen ze zichzelf ‘twee onnoosele schepsels’. Een paar voorbeelden van woorden die toen o.a. in Zeeland algemeen waren en blijkbaar in de schrijftaal van ‘beschaafden’ gebruikt werden, maar die in het Algemene Nederlands van nu niet voorkomen: dijsig (104, ‘nevelig’); gongen (58, ‘gingen’); rekje (114, ‘eindje’, bijvoorbeeld bij het wandelen); rogt, gerogt (53 en passim, ‘raakte’; 98, ‘geraakt’); swaelm (68, ‘zwaluw’); verken (68, ‘varken’); vleijs (77, ‘vlees’). Deze en vele meer treft men, doorgaans met de kwalificatie ‘Alg.’, aan in het Woordenboek der Zeeuwse dialecten (Ghijsen 1974).
Ook de volgende, maar deze met sterke geografische beperkingen. Ik vermeld die voorzover ze in negatieve of positieve zin betrekking hebben op de twee gebieden in Zeeland waar de gezusters Lammens gewoond hebben, Walcheren en oostelijk Zeeuws-Vlaanderen.

  • adret (67, ‘handig’) komt op Walcheren voor, maar in deze vorm niet in Zeeuws-Vlaanderen; in het Land van Hulst is het alteret (Ghijsen 1974, 6). Uit het Franse adroit ‘handig, slim, geslepen’, maar is een ouder leenwoord, denk ik, dan de groep conversatiewoorden.
  • crieerder (63, ‘afroeper bij openbare verkopingen’): wel op Walcheren, niet in oostelijk Zeeuws-Vlaanderen. Duidelijk een Frans leenwoord, maar ook behorend tot een oudere categorie (Ghijsen 1974, 496).
  • koeijbeest (60, ‘koe’). Volgens Taalatlas II,11 komt de vorm koei alleen voor in de oostelijke helft van Walcheren, waar de Lammens gewoond hebben, en in oostelijk Zeeuws-Vlaanderen (waar ze geboren zijn). Westelijk Walcheren zegt koewe.
  • spuijgende (55, ‘braken’) is een Walcherse vorm; het Land van Hulst gebruikt spoegen (De Haar 1979, 153).
  • gongen (58, 68) voor ‘ging’, is exclusief voor het Land van Hulst en het Land van Axel (Ghijsen 1974, 245).
  • vongen (76, 77): deze verledentijdsvorm van vangen komt alleen voor in het Land van Hulst (Ghijsen 1974, 1033). Op Walcheren is de variant voeng in gebruik.
  • ontfong (95): misschien naar analogie van vong. Niet in Ghijsen 1974.
  • speulen (99, 101) : volgens kaartje van Van Ginneken (Weijnen 1991, 263) heeft in Zeeland alleen het Land van Hulst speulen; de rest van Zeeland heeft spelen.

De conclusie is dat de gezusters Lammens in hun Journaal probleemloos woorden gebruiken die sterk regionaal beperkt waren, naast een groot aantal Franse leenwoorden. Sommige hebben ze meegenomen uit hun geboortestreek, andere, zowel de Walcherse als de algemeen Zeeuwse, hebben ze geleerd in hun nieuwe woonplaats Vlissingen. Ze zagen er blijkbaar niets minderwaardigs in of ze wisten niet beter. In elk geval was het voor hen blijkbaar gewone schrijftaal. Uit hun kennis van specifiek oostelijk Zeeuwsvlaamse woorden mag afgeleid worden dat ze zeker niet al te jong naar Vlissingen zijn verhuisd en dat ze verkeerd moeten hebben met katholieke kindertjes met wie ze speulden.
Een gelukkige omstandigheid, ook voor taalkundigen, is dat in de uitgave van mevr. Barend nóg een Journaal gepubliceerd wordt en wel dat van de gezusters Swellengrebel, die een omgekeerde reis maken. Dit Journaal, een dagboek van een reis náár het vaderland, door vrouwen geschreven, is ook enig in zijn soort. In 1751 (dus 15 jaar na de Lammens) reizen Helena en Johanna Swellengrebel van de Kaap naar Nederland. Zij waren aan de Kaap geboren als dochters van gouverneur Hendrik Swellengrebel, die zelf, in 1750, ook aan de Kaap geboren was. In 1751 legde hij zijn functie neer en vertrok hij, weduwnaar, met zijn vier kinderen naar de Nederlanden. Het is frappant hoeveel overeenkomsten er bestaan tussen het Journaal van de twee vrouwen die in Zeeland geboren en opgegroeid zijn en dat van de twee vrouwen uit de Kaap, die nooit eerder in Nederland geweest zijn. En nog vreemder is dat juist een aantal elementen die ze gemeen hebben, niet in het Algemene Nederlands opgenomen zijn. Weer wat voorbeelden, van zulke woorden en vormen die in beide Journaals aangetroffen worden: als na comparatieven; dingsdag (dinsdag); hette (hitte); hieuw (hield); klijnder, een van de vele gevallen van epenthetische d; kouwe (koude); leggen (liggen); speulen (spelen); vars (vers); wierd (werd). In beide Journaals heerst complete chaos wat de spelling van î en ei betreft.
Maar de verschillen tussen beide zijn groter. Het Nederlands van de Kaap staat dichter bij het latere Algemene Nederlands dan dat uit Zeeland. Een opvallend verschil is bijvoorbeeld de keuze van het hulpwerkwoord bij de werkwoorden gaan en zijn. Bij de gezusters Lammens is dat, zoals van ouds, hebben, bij de Swellengrebels zijn. In het algemeen kent het Nederlands van de laatsten veel minder niet-Hollandismen om het zo maar te zeggen, waardoor het dichter bij het Nederlands van nu staat. Begrijpelijk, want uiteindelijk is het Algemene Nederlands gewoon Hollands, laten we eerlijk zijn.
Het meest ‘algemeen’ in het Zeeuwse Journaal zijn ironisch genoeg nog de Franse leenwoorden. Die treffen we bij de gezusters Swellengrebel weinig aan, maar de dames zullen zich op dit punt na aankomst in het vaderland wel snel aan de heersende mode hebben aangepast.

Bibliografie

  • Barend-Van Haeften 1996, M.L.,
    Op reis met de VOC; De openhartige dagboeken van de zusters Lammens en Swellengrebel, Zutphen, Walburg Pers.
  • Gerritsen (red.) 1979, M.
    Taalverandering in Nederlandse dialekten, Muiderberg, Coutinho.
  • Ghijsen (red.) 1974, Ha. C.M.
    Woordenboek der Zeeuwse dialecten, Den Haag, Van Goor Zonen.
  • Haar 1979, B. de
    ‘Verboden te spuwen’ in: Gerritsen (red.) 1979, blz. 150-157.
  • Salverda de Grave 1906, J.J.
    De Franse woorden in het Nederlands, Amsterdam, Johannes Mueller.
  • Salverda de Grave 1934, J.J.
    ‘Franse woorden uit de achttiende en negentiende eeuw, in De nieuwe taalgids 28, blz. 289-303.
  • Stroop 1993, J.
    ‘Namen, appellatieven en fonologie’, in Taal en Tongval 45, blz. 13-49.
  • Wal 1992, M. van der
    Geschiedenis van het Nederlands, Utrecht, het Spectrum.
  • Weijnen 1991, A.
    Vergelijkende klankleer van de Nederlandse dialecten, ‘s-Gravenhage, SDU Uitgeverij.

Noten
i Ik ben met dit Journaal in aanraking gekomen, toen Mevr. Barend mij bij haar voorbereidingen van de uitgave ervan betrokken heeft. Het is het eerste van de twee door Mevr. Barend gepubliceerde dagboeken; zie de Bibliografie.
ii De getallen achter de geciteerde woorden geven de bladzijden aan in de publicatie van Mevr. Barend.
iii Volgens vriendelijke mededeling van Dr. Jo Daan zijn dagboeken en dergelijke met duidelijke regionale inslag in Holland vrij zeldzaam.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
3hreplyretweetfavorite
jan_stroop RT @lysbeth2_0: A joy to listen to Guus Extra. Masterclass 'Responding to increasing linguistic diversity in multicultural societies' organ…
15hreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>