Namen, appellatieven en fonologie 1)

over de familienamen Schouten, Scholten, van Willigen, Van den Boomgaard en aanverwante.
eerder verschenen in Taal en Tongval jrg.  45 (1993), blz.  13-49

0.0 Namen en Appellatieven
Namen vormen een bijzonder soort object van taalkundig onderzoek. Dat is een gevolg van hun speciale status t.o.v. het lexicon. De meeste namen, aardrijkskundige namen, persoonsnamen e.d., zijn in oorsprong gewone naamwoorden geweest en als zodanig maakten ze deel uit van dat lexicon. Ik begeef mij dus niet in de terminologische discussie met betrekking tot de namen (Stavenuiter 1975). Het gaat mij om de situatie die ontstaat als een woord dat als gewoon substantief (appellatief) functioneert, ook een functie als naam krijgt.

Het paradoxale feit doet zich voor dat op het moment waarop een naamwoord zich tot een eigennaam ontwikkeld heeft, het in elk geval nog gedeeltelijk de eigenschappen van een appellatief heeft, maar tegelijk niet meer tot de reguliere substantieven behoort. Want dat is het bijzondere aan een naam, een “proprium”, dat hij dat pas is door een verbijzondering van zijn gebruiksmogelijkheden. In zijn artikel over de eigennaam als linguïstisch teken definieert Leys de naam eigenlijk alleen op grond van zijn individuele toepasbaarheid (Leys 1965: 1). Maar wanneer die een feit is, laat hij in het midden.
De individuele toepasbaarheid is in wezen een vorm van isolering. Over het moment waarop valt dan wel niet veel te zeggen, het proces zelf is heel goed te beargumenteren. Iemand kan Van Gorcum heten omdat hij uit de plaats Gorcum afkomstig is. Als zijn kinderen vervolgens ook zo genoemd worden, kan dat betekenen dat Van Gorcum al in een naam veranderd is, hoewel hier natuurlijk ook de connotatie dat de familie als geheel uit Gorcum vandaan is, nog wel een rol kan spelen. In een volgende fase is die laatste verbinding met de plaatsnaam helemaal verdwenen.
Er zit aan deze ontwikkeling natuurlijk ook een collectief aspect. In een tijd dat dit soort namen ontstond, kon altijd wel de gedachte rijzen dat iemand met een plaatsnaam in zijn familienaam ook werkelijk uit die plaats afkomstig was. Die gedachte is echter vreemd in een taalgemeenschap als de huidige, die volledig vertrouwd is met de “individueel toegepaste” familienaam.
Bij namen die wijzen op een bepaalde individuele eigenschap van de persoon kan men zich de ontwikkeling nog weer anders voorstellen. De eerste De Lange zal inderdaad wel iemand met meer dan normale lichaamslengte geweest zijn, maar de kinderen van vader De Lange hoeven zelf niet lang te zijn om toch die naam aangemeten te krijgen. Als daarbij nog wel de gedachte aan de eerste naamdrager een rol speelt, is de toenaam nog niet een familienaam (eigennaam) in de ware zin. Dat is pas het geval als De Lange geen enkele associatie met lengte meer oproept. In het verleden kon dat pas na verloop van een ontwikkeling, terwijl in een later stadium zo’n associatie eerder uitzondering is of zelfs uitgesloten. Dan is de naam volledig eigennaam geworden.
Het vaststellen van deze overgang is aan de naam zelf niet af te lezen, evenmin aan het gebruik dat er in geschriften van gemaakt wordt. In een zin als De Lange woont op nr. 10 kan De Lange evengoed bijnaam als eigennaam zijn. In het algemeen verschillen eigennamen in syntactisch en morfologisch opzicht te weinig van appellatieven en ook de veranderingen die zich ten aanzien van de valentie van de substantieven hebben voorgedaan zijn te weinig differentiërend om bij het onderscheid tussen appellatief en eigennaam bruikbaar te kunnen zijn.
Op het terrein van de fonologie doen zich veranderingen voor die verband houden met de mate waarin een woord van het lexicon deel uitmaakt en het is dan ook daar dat we de mogelijkheden zullen moeten zoeken om eigennaam en appellatief te onderscheiden. Dat onderscheid is er dan meestal een gevolg van dat een van beide aan een klankverandering heeft deelgenomen en de ander niet. Leys (1965: 4) onderscheidt twee manieren waarop de homofonie tussen appellatief en proprium doorbroken kan worden.
De eerste is dat een naam een fonologische ontwikkeling doormaakt die bij het appellatief achterwege blijft. Door hun individuele toepasbaarheid, waardoor een naam op den duur het semantische contact met het gelijkluidende appellatief kwijtraakt, missen namen de conserverende invloed van het algemene gebruik die een appellatief wel ondervindt. Een mooi voorbeeld is het Nijmeegse wimelpoort, waarin het in Nijmegen onveranderd gebleven windmolen(-poort) verscholen zit. Leys noemt de veranderingen die het gevolg zijn van dat geïsoleerd raken, primair toevallig en geïsoleerd in tegenstelling tot de veranderingen van appellatieven die vaak systematisch zijn; Leys wijt ze aan de fonische instabiliteit van namen.
In een aantal gevallen zijn ogenschijnlijk grillige veranderingen van namen niet zo toevallig. Zonder daar nu verder op in te gaan, wijs ik even op de mogelijkheid dat een naam doordat hij niet gebonden is aan bijv. de noodzaak dat zijn samenstellende delen semantisch-vormelijk herkenbaar blijven, minder beperkingen kent ten opzichte van fonologische processen dan gelede appellatieven. Een plaatsnaam als Schadewijk kan Schaik worden omdat de betekenis van de oorspronkelijke samenstelling niet meer relevant is; vgl. ook Wolk uit Waalwijk. Overigens zouden fonologische ontwikkelingen van namen wel eens unieke informatie kunnen verstrekken over de ultieme fonotactische mogelijkheden van een taal en zouden namen wel eens vaker een geprefereerde syllabestructuur kunnen vertonen dan het appellatieven vrij staat te doen.
De tweede manier waarop er verschil in vorm kan ontstaan tussen in beginsel gelijkvormige woorden is dat niet de eigennaam verandert maar zijn substantivische tegenhanger. Daarbij onderscheidt Leys twee mogelijkheden: a). de fonologische stagnatie die namen kunnen vertonen bij een interne klankverandering. b). hun immuniteit voor een ontleende klankverandering. De eerste, a), doet zich voor als een naam niet deel heeft aan een autochtone klankverandering die zich aan de appellatieven voltrekt. In par.3 komt een voorbeeld aan de orde: in Midden-Limburg bestaat de familienaam Bongers, terwijl het corresponderende appellatief dat ‘boomgaard’ betekent, er tot boggers geëvolueerd is. Leys noemt dat een fonologische ontsporing (Leys 1965: 72).
Verschil tussen eigennaam en appellatief kan ook ontstaan als het appellatief als gevolg van externe factoren verandert, terwijl de eigennaam ongewijzigd blijft; dat is b). Dat is het geval bij ontleningen van klankveranderingen. Leys noemt als voorbeeld de Leuvense Vlamingenstraat, die daar vanouds [vleiming]-straat heet, terwijl aan appellativische kant tengevolge van externe factoren die oude uitspraak door [vlumink] vervangen is. Dan is er, aldus Leys, geen sprake van stagnatie ten aanzien van het evoluerende fonologische systeem, maar staat de eigennaam buiten spel (Leys 1965: 73). Zelf heb ik voor een dergelijke ontwikkeling het begrip ‘Lexicale Leemte’ geïntroduceerd (Stroop 1984), dat verderop ter sprake komt. Het verschil tussen a) en b) zal niet altijd vast te stellen zijn, maar om te bepalen of iets naam of appellatief is, doet dat ook niet terzake.
Tot hier was alleen sprake van namen die in oorsprong autochtoon zijn. Er doen zich in een samenleving natuurlijk ook situaties voor waarin een naam van buiten komt en dan al dan niet moet worden aangepast aan de relevante fonologie. Die noodzaak bestaat niet als men zich voorneemt en bij machte is de naam uit te spreken zoals dat bij zijn herkomst past: [hamburg, pari] (Hamburg, Paris). Bij de binnenkomst van een naam zijn er twee mogelijkheden. De eerste is dat de naam onveranderd blijft, doordat hij helemaal past binnen de fonologisch/fonotactische eigenschappen van de taal in kwestie: [e.ms] (Eems) klinkt gewoon Nederlands. In andere gevallen kan een naam bloot staan aan accommodatie, d.w.z. aan aanpassing aan specifieke fonotactische eigenschappen. Zo wordt de naam van een veelgeroemd componist tegenwoordig vaak ‘vernederlandst’: [mozart] (Mozart).
In West-Brabant kan accommodatie bijv. betekenen dat de naam van een immigrant die met h begint, dat foneem verliest omdat de h er niet als zodanig bestaat; Van Hoof wordt dan Van Oof.
Ook kan een naam veranderen doordat hij gevoelig is voor bepaalde fonologische regels, als verkorting, verlenging, nasalering, enz., die in de ontvangende taalvariëteit aanwezig zijn. Vaak opereert zo’n regel maar één keer, maar het is evengoed denkbaar dat dialectsprekers soms onderscheid maken tussen (letterlijk) de ‘Stadhuis-vorm’ van een naam en de vorm in het dagelijks gebruik; in het laatste geval blijft zo’n naam ‘input’ voor fonologische regels. Voorbeelden zijn Van Oers dat, althans in West-Brabant, [van us] wordt en Huips dat meestal in [öps] verandert. Bij deze integratie is de basisvorm al in overeenstemming met de fonotactische beperkingen van de grammatica, vandaar dat hij een grammaticale regel kan ondergaan. Bij de eerder besproken accommodatie moet de vorm daar juist bij aangepast worden.
En dan zijn er tenslotte de appellatieven en de namen waarvan die appellatieven de oorsprong vormen, die vanouds deel hebben uitgemaakt van het lexicon van een bepaalde taal. Zulke appellatieven en namen kunnen geconfronteerd worden met ontleende dan wel autochtone klankveranderingen. Hun gedrag bij deze confrontatie kan bepalend zijn voor het bepalen van hun status, in het bijzonder als het gaat om woorden die als namen kunnen worden beschouwd. Dan kan het verschil blijken tussen naam en appellatief. De in deze laatste alinea aangeduide problematiek vormt het onderwerp van dit artikel.

0.1. Namen en de Lexicale Leemte
Ten opzichte van fonologische veranderingen verkeren namen in een bijzondere positie, zeker ook als het interne veranderingen betreft, maar meer nog als de veranderingen van buiten af komen en dus ter plaatse ontleend worden. In de taalkundige geschiedenis van Nederland is veel aandacht besteed aan de methode van bewijsvoering bij ontleende klankveranderingen. Kloeke heeft er zijn bekende Hollandsche Expansie aan gewijd. Zijn bewijsvoering is vooral gebaseerd op de geografische diffusie die zich bij ontleende klankveranderingen voordoet 2). Een verandering blijkt per woord een andere verbreiding te kennen. Dat is zozeer het geval, denk aan huis tegenover muis, dat Kloeke terecht concludeerde dat ontlening van klankveranderingen in wezen woordvervanging is: men verruilt zijn eigen woord met de uitspraak A door een ander woord met de uitspraak A’.
Kloeke heeft nagelaten een interessante conclusie te trekken uit de door hem geconstateerde evidentie dat een klankverandering individuele woorden nodig heeft als ‘voertuig’. In mijn artikel over Lexicale Leemte heb ik dat wel gedaan, uitgaande van de gedachte dat voor een overdracht van een klankverandering eenzelfde woord op twee plaatsen vereist is, nl. aan de ontvangende zijde, maar zeker ook bij het ‘gevende’ cultuurcentrum (Stroop 1984). Ik richtte me daarbij juist op de woorden die aan een bepaalde, waarschijnlijk ontleende, klankverandering geen deel hadden, de zgn. relictvormen of residuen; bijv. de uitspraak stoet (een bepaald soort brood) in een gebied waarin elke andere oe uiteindelijk veranderd is in ui. Als deze woorden in het ‘ontvangende’ gebied een ouder klankstadium vertoonden dan soortgelijke woorden die in beide gebieden gelijkluidend waren en als ze bovendien in het ‘gevende’ gebied of cultuurcentrum niet of nauwelijks voorkwamen, dan kon geconcludeerd worden dat de nieuwe klank in het ontvangende gebied ontleend was.
Als zoiets eenmaal, op grond van meerdere gevallen natuurlijk, is vastgesteld dan kan en mag de redenering worden omgekeerd: woorden die in gebied A (het cultuurcentrum) niet voorkomen, kunnen in het ontvangende gebied een oudere vorm hebben dan de groep woorden waartoe ze in bepaald fonotactisch opzicht behoren. Ze hebben bijv. dezelfde klinker oe, die in andere woorden veranderde in uu en vervolgens in ui. Zulke woorden nu vormen in gebied A een Lexicale Leemte.
Datzelfde geldt bij woorden die door hun specifieke betekenis en gebruikssfeer niet in het normale interlocale taalverkeer functioneren, woorden die vanwege hun strikt locale gebruik alleen al daardoor een lexicale leemte om zich heen hebben gecreëerd. Voorbeelden zijn namen voor locale entiteiten als percelen, straten, enz.; vaak hoort er ook de naam van dorp of stad bij. Zulke woorden spelen geen rol in het interlocale taalverkeer, en indien wel dan is het een éénrichtingsverkeer in die zin dat de plaatsnaam steeds vanuit de plaats zelf gepresenteerd wordt en dus niet veranderen kan door een externe factor. Het klankveranderende gebied kan er geen nieuwe vorm van aanbieden, omdat de plaatsnaam er geen deel uitmaakt van het gewone lexicon en dat verklaart waardoor aardrijkskundige namen zo vaak hun oude gedaante bewaren.
Enkele voorbeelden. Ten zuiden van Rotterdam ligt een plaats die op de landkaarten Strijen heet, met diftong dus, maar die ‘in loco’ Striene genoemd wordt, kennelijk omdat er nooit een ‘vernieuwde’ uitspraak van is gevormd of aanvaard. In Jisp, een dorpje in Noord-Holland, waar de ontwikkeling van de oude î het stadium van een ‘achter’- diftong bereikt heeft en waar men spreekt van laimen en misschien zelfs wel van loimen voor ‘lijmen’, ligt een perceel, waar vroeger een lijmfabriek op gestaan heeft; die akker heet er liemland. De verklaring is eenvoudig: zo’n naam was ten eerste volledig tot locaal gebruik beperkt en vervolgens is de betekenis ervan vervaagd, waardoor het oorspronkelijke verband met lijmen verloren gegaan is. En van buiten drong natuurlijk geen nieuwe variant van liemland binnen.
Ook bij familienamen is iets dergelijks het geval. Een familienaam is de naam van een specifieke groep personen; een familienaam identificeert. Dat houdt in dat in wezen alleen de naamdragers weet hebben van hun naam. Aan de simpelste voorwaarde voor ontlening van klankveranderingen is daarmee niet voldaan. Een familienaam is zo een treffend voorbeeld van een woord dat omringd is door een lexicale leemte. Een en ander betekent dat een familienaam niet zal meedoen met klankveranderingen die zijn eventuele gelijkluidende tegenhanger in de reguliere spraak wel ondergaat, net als de groep woorden die minstens het te veranderen element (de klinker) bevatten. Ik licht dit toe met enkele voorbeelden.
In West-Noord-Brabant, dat de oude û diftongeert tot ui, komt de familienaam Boluyt voor. Ook in een van de romans van A.M. de Jong, die zoals bekend in die streek spelen, bestaat een persoon met die naam, maar daar wordt de naam, overeenkomstig de uitspraak, als Bluut geschreven. Gezien de normale schrijfwijze van de naam, zou nog gedacht kunnen worden aan de mogelijkheid dat de naam oorspronkelijk met monoftong is overgenomen, nadat het diftongeringsproces zich aldaar voltrokken had, maar de gewone uitspraak van de naam is met diftong en alleen in familiair of amicaal taalgebruik is het den Bluut.
Eenvoudiger ligt het bij het volgende geval, waarbij een merkwaardige spellingswijziging in de naam een bewijs is voor een klankverandering, waaraan de naam niet meegedaan heeft. In een jaarlijkse afrekening uit het begin van de 17e eeuw, opgemaakt in de Westbrabantse plaats Wouw, komt telkens opnieuw iemand voor die de voornaam Gijsberecht draagt. Die naam wordt er steeds gespeld met een lange ij, zodat er op het punt van de uitspraak van de klinker niets uit is af te leiden. Dat is op zichzelf te betreuren want de bedoelde teksten zijn uit een periode waarin zich formidabele veranderingen in de uitspraak o.a. van de lange monoftongen voordeden. In de spelling is daar vrijwel niets van te merken; die verandert niet. Op één uitzondering na: op een zeker moment treedt er een verandering op in de schrijfwijze van Gijsberecht. De lange ij is dan opeens vervangen door een ie.
Daardoor weten we meteen twee dingen. Ten eerste dat in Wouw in het begin van de 17e eeuw de diftongering volop werkzaam was en ten tweede dat de man in kwestie nog altijd Giesberecht werd genoemd. Door de diftongering van de î in gewone woorden, die geen spellingsverandering ondergingen, was het letterteken ij als het ware herijkt tot het teken voor de nieuwe diftong. Waar men ie bleef zeggen, o.a. bij woorden die elders een lexicale leemte vertegenwoordigden, dus bijv. de naam van een bepaalde persoon, was een ander letterteken nodig. Vandaar dus de veranderde schrijfwijze Giesberecht. In gevallen als deze blijkt de klankverandering zich juist niet in de spelling te manifesteren; waar de spelling verandert, is de uitspraak ongewijzigd gebleven.
Dat familienamen door hun bijzondere status o.a. inzicht kunnen geven in bepaalde aspecten van taalveranderingen, zoals ouderdom, geografie e.d., heeft Goossens laten zien (Goossens 1971 en 1978). Fonologische veranderingen van familienamen zijn het onderwerp geweest van een werkgroep bij de vakgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam.
Dit artikel is mede gebaseerd op enkele nota’s die in dat kader door studenten gemaakt zijn 3). Een drietal kwesties worden hier aan de orde gesteld. Dat is eerst de vocalisering van ol tot ou voor dentaal, vgl. kold t.o. koud. Dan het verschijnsel van de schwa-epenthese, zoals in mellek. Tenslotte is aandacht besteed aan een assimilatieproces dat in gewone taal zelden voorkomt, nl. mg > ng. De algemene vraag die gesteld werd was: wordt uit een vergelijking van de fonologie van familienamen met die van de corresponderende lexemen iets zichtbaar van het isoleringsproces waardoor familienamen hun aparte status verwerven. Als bron voor de familienamen heeft gediend het Nederlands Repertorium van familienamen. Dat houdt in dat het onderzoek zich beperkt heeft tot Nederland.

1. Scholten/Schouten
De vraag die zich bij familienamen in wording laat stellen is die naar het moment waarop een woord dat personen aanduidt, zich afzondert van dat woord in gewone gebruiksgevallen. Een van de middelen daarbij is een fonologische verandering te nemen die op naamwoorden in werkt, die (later?) ook persoons- of familienaam geworden zijn. Dat leidt niet altijd tot een absolute datering, maar wel kan dan de chronologische relatie tussen de verandering en de familienaam vastgesteld worden.
De familienaam Scholten en zijn tegenhanger Schouten hangen etymologisch samen met ‘schout’ en de varianten die dat woord heeft gekend (Meertens 1943: 57). Winkler (1885: 183) omschrijft de betekenis als ‘zoon van den scholte of van den schout‘. Uiteindelijk hangt de beroepsnaam schout weer samen met schuld: schuld + heten (De Vries-De Tollenaere 1991: 327). In elk geval: de consonant l is oorspronkelijk.
Zoals bekend heeft in bepaalde delen van het Nederlandse taalgebied de combinatie achter-vocaal + l een vocalisering van de l ondergaan, als die gevolgd werd door een dentaal (Van Bree 1987: 135). Van Bree situeert deze ontwikkeling in het Oudnederlands, dat wil in zijn periodisering zeggen, vóór 1200.
De opzet is nu geweest na te gaan of bij de familienaam Scholten en zijn pendant Schouten dezelfde geografische verdeling bestaat als bij appellatieven die eenzelfde foneemconstellatie kennen (achter-V + l + dentaal). Als dat het geval is, dan zou geconcludeerd kunnen worden dat de latere familienaam toentertijd nog als appellatief functioneerde, of misschien helemaal nog geen familienaam was. Bij verschil zou die conclusie een heel andere moeten zijn.
Een soortgelijk onderzoek is eerder al eens gedaan door J. Goossens (1971), maar met dit belangrijke verschil dat Goossens met Bakker een familienaam gekozen heeft die gelijkluidend is aan een appellatief of waarbij het appellatief steeds als zodanig behouden is gebleven, terwijl dat bij Scholten-Schouten niet het geval is. Goossens heeft ook alleen de twee typen bakker met elkaar vergeleken. Niet uitgesloten is in zo’n geval dat er een ontlening op woordniveau heeft plaatsgevonden, waaraan ook de eigennaam Bakker min of meer deel heeft gehad of waar de naam door beïnvloed is. Bij de door ons (dat zijn Liesbeth Oskamp en schriftsteller dezes) gekozen ol-kwestie zijn we anders te werk gegaan: de geografie van het klankverschijnsel is vastgesteld bij andere woorden dan de tot familienaam geworden woorden die onderzocht zijn. Bovendien hebben wij ons onderzoek niet beperkt tot één naam, om ook iets van een tendens op het spoor te komen. Verder is ook voor een semi-consonantisch verschijnsel gekozen om te zien of dat wellicht tot andere conclusies zou kunnen leiden dan bij het door Goossens onderzochte vocalisme.
Ook is denkbaar dat een verandering van ol naar ou niet gevoelig is voor sociale appreciatie en geen zaak van wel of geen prestige is, in tegenstelling tot bijv. schwa-insertie of diftongering en in zekere zin ook de e-a-wisseling bij bakker. Werreken en kaken (‘kijken’) genieten minder aanzien dan werken en kijken. Deze gevoeligheid voor sociale afkeuring is bij ol evenzeer afwezig als bij ou: er is in dit opzicht, geloof ik, geen verschil tussen kold en koud, holden en houden. Trouwens daar is ook een goede fonotactisch-fonologische verklaring voor te geven. Immers ol verandert alleen in ou als de combinatie gevolgd wordt door een dentaal (coronaal) en dat sluit gevoeligheid voor waardering van de taalgebruiker uit: die richt zijn subjectiviteit – voorzover ik kan nagaan – uitsluitend op ‘enkelvoudige’ elementen. Wel bijv. afkeuring voor een ‘dikke’ l, maar niet voor enige combinatie van die l met een vocaal of een andere consonant.
Voor een vergelijking van de geografische spreiding van de verandering van ol in ou in reguliere spraak met die in wat nu familienamen zijn, is vooreerst gekeken naar het namenpaar Scholten-Schouten. De voornaamste vraag die ter beantwoording stond, was of de l-vocalisering hier dezelfde geografie zou vertonen als die van het verschijnsel bij appellatieven, subs. adjectieven. Van de spreiding bij deze laatste categorieën is een taalkaart gepubliceerd door J. Goossens, die recentelijk opnieuw afgedrukt is in Weijnen 1991 (kaart 63). Het betreft een kaart van goud en oud, waarbij ook de variëteit van de vocaal betrokken is. De Reeks Nederlandse Dialectatlassen (hierna: RND) omvat ook gegevens van nog twee woorden met dezelfde foneemcombinatie, koud en hout, waarvan kaartjes getekend zijn 4). Uit een vergelijking blijkt dat de geografie bij deze vier woorden, goud, oud, koud en hout, vrijwel identiek is, wat erop wijst dat we hier met een echte klankverandering te doen hebben, en niet met een woordgewijze ontlening. Zo’n situatie is zeldzamer dan vroeger algemeen werd aangenomen. Sinds Kloeke weten we dat in de meeste gevallen klankontlening feitelijk woordontlening of -vervanging is.
In zijn eerder genoemde onderzoek heeft Goossens (1971) zich beziggehouden met de vocaal in het namenpaar Bakker-Bekker. Hij trof het in zoverre dat in het gebied waar het appellatief bakker de secundaire umlautsvorm bekker vertoont, de familienaam Bekker inderdaad ‘zeer duidelijk de bovenhand heeft’ in verhouding tot Bakker.
Met Scholten-Schouten is overigens ook geen slechte keus gedaan, zeker niet als we letten op de geografische spreiding. Provinciegewijs bekeken correspondeert de vorm van de familienaam met de realisering van de oude ol, met andere woorden, de provincies die hun ol bewaard hebben, Groningen, Friesland, Drente en Overijssel, vertonen een zeer groot overwicht aan Scholtens tegenover Schoutens. Ik neem als voorbeeld de stad Groningen: in 1947 waren daar 1604 personen met de namen Scholten-Schouten. Van dat aantal heette 1,55% Schouten, de rest was Scholten.
Tegenover de vier provincies die minder dan 10% Schouten-namen hebben, staan er zes die meer dan 55% scoren. Aan de top staat Zeeland, met 95% Schouten, maar dat percentage zegt niet veel omdat het gaat om een totaal van maar 440 naamdragers. Vergelijk dat eens met de 6588 van Noord-Holland. Van dit aantal is 65% Schouten. Een provincie die zich qua percentage tussen beide groepen in bevindt, is Gelderland; geen wonder kan men zeggen want de ou-ol-grens loopt verticaal midden door de provincie. Vandaar dat in het nuvolgende nader wordt ingegaan op de verhoudingen bij de familienamen (voortaan FN) in gemeentes die aan weerszijden van de genoemde isoglossen liggen. Die verhoudingen zijn uitgedrukt in de figuur hieronder. De plaatsen zijn in twee kolommen verdeeld, links de plaatsen die ten westen van de ou-ol-isoglosse liggen, rechts die ten oosten. De getallen tussen haakjes zijn die van het totaal aantal dragers van beide namen; in de cursief afgedrukte plaatsen ligt de verhouding omgekeerd aan wat op grond van de ligging van de plaats ten opzichte van de isoglosse verwacht kon worden.

Percentages Schouten-Scholten
koud-gebied kold-gebied
Apeldoorn 36:64 (116) Brummen 43:57 (37)
Barneveld 84:16 (62) Didam 0:100 (72)
Ede 58:42 (57) Doetinchem 07:93 (43)
Ermelo 87:13 (54) Epe 14:86 (152)
Gent 0:100 (38) Heerde 01:99 (74)
Harderwijk 76:24 (25) Voorst 05:95 (95)
Nijmegen 58:42 (214) Warnsveld 59:41 (17)
Rozendaal 27:73 (15) Zevenaar 09:91 (45)
Wageningen 71:29 (31) Zutfen 17:83 (256)
Zaltbommel 95:05 (19)

Over het geheel genomen beantwoorden de verhoudingen in bovenstaand staatje aan de verwachtingen, immers er is een duidelijk verschil in de percentuele verhouding van beide kolommen. Er zijn enkele uitzonderingen. Het meeste problemen geeft Warnsveld in de rechter kolom, met zijn 59% Schoutens, behalve wanneer men in aanmerking neemt dat het hier om een totaal van 17 namen gaat, het kleinste aantal van de hele groep. Een of twee namen meer of minder maakt dan veel uit. Bij de overige plaatsen in de rechter kolom heeft Scholten heel sterk de overhand; het betreft ook telkens een grote groep namen. De linker kolom telt drie afwijkingen: Amersfoort, Gent en Rozendaal zijn meer Scholtens dan Schoutens geteld. In Gent zijn de 38 naamdragers zelfs allemaal Scholtens. Maar niet zonder betekenis is hier dat de plaats onmiddellijk grenst aan de ou-ol-isoglosse. Misschien een indicatie dat er toch een verschuiving van die isoglosse naar het oosten heeft plaats gevonden nadat de vocalisering zich voltrokken had, waardoor Gent binnen het ou-gebied kwam te liggen. Ook is denkbaar dat de isoglosse binnen de gemeente Gent loopt en dat bij gedetailleerde bestudering zou blijken dat de 38 Scholtens toch ten oosten van die isoglosse wonen.
Om de proef, of er een betekenisdragend verschil is in de verhouding tussen beide typen namen aan de linkerzijde tegenover die aan de rechterzijde van de isoglossen, op de som te nemen, is nog gekeken naar een andere FN van dit type, Wouters-Wolters. Dit keer zijn alle gemeentes uit de provincie Gelderland onderzocht. Links staan de gemeentes die in het ou-gebied liggen, rechts die in het ol-gebied. In de linker kolom is de verwachting dat het eerstgenoemde percentage hoger ligt dan het tweede, in de rechterkolom net andersom, immers het eerste getal geeft de ou-namen aan, het tweede de ol-vormen. Cursief zijn weer de gemeentenamen waar de situatie net andersom is dan verwacht. Niet opgenomen zijn gemeentes met minder dan 5 dragers van de beide namen samen.

Percentages Wouters-Wolters
koud-gebied kold-gebied
Apeldoorn 46:54 (137) Angerlo 0:100 (6)
Arnhem 59:41 (148) Bergh 0:100 (23)
Barneveld 89:11 (26) Brummen 06:94 (16)
Bemmel 50:50 (34) Didam 09:91 (66)
Beuningen 100:0 (20) Doesburg 33:67 (9)
Dodewaard 100:0 (21) Doetinchem 17:83 (18)
Druten 100:0 (6) Duiven 19:81 (53)
Ede 65:35 (17) Epe 80:20 (5)
Elst 82:18 (68) Gendringen 06:94 (16)
Ermelo 92:08 (12) Gorsel 04:96 (45)
Harderwijk 100:0 (76) Groenlo 0:100 (47)
Huisen 56:44 (62) Groesbeek 61:39 (36)
Nijkerk 71:29 (31) Herwen 85:15 (27)
Nijmegen 69:31 (329) Hummelo 0:100 (6)
Renkum 50:50 (8) Laren 0:100 (50)
Tiel 100:0 (122) Lichtenvoorde 06:94 (84)
Ubbergen 0:100 (9) Rheden 32:68 (37)
Valburg 50:50 (10) Steenderen 0:100 (7)
Wadenoyen 100:0 (7) Voorst 0:100 (70)
Wageningen 18:32 (11) Vorden 0:100 (11)
Wamel 100:0 (7) Warnsveld 0:100 (5)
Wiechen 99:01 (18) Wehl 0:100 (12)
Westervoort 0:100 (38)
Winterswijk 0:100 (17)
Wisch 12:88 (66)
Zelhem 0:100 (9)
Zevenaar 38:62 (63)
Zutfen 26:74 (31)

In totaal zijn hier 50 gemeentes opgenomen. Op dat geheel blijken 6 gemeentes af te wijken van de verwachte verhouding tussen de aantallen dragers van de twee namen, dat is 12%. In alle overige blijken de verhoudingen op een frappante manier overeen te komen met de geografie van de oppositie ou-ol, in die zin dat in het ou-gebied de Woutersen in de meerderheid zijn, in het ol-gebied de Woltersen. Over de uitzonderingen nog het volgende. In drie gevallen betreft het gemeentes die in de buurt of aangrenzend aan de isoglosse liggen; tweemaal gaat het om grote plaatsen, Apeldoorn en Wageningen. Eigenlijk is alleen Epe een probleem-geval, maar ook die plaats ligt vrij dicht bij de isoglosse; bovendien zijn hier maar 5 naamdragers in het geding.
Dan doet zich nu opnieuw de vraag voor in hoeverre percentages in het heden iets te zeggen kunnen hebben over een situatie in het verleden, in dit geval een ontwikkeling die zich al in het begin van de 13e eeuw aangewezen kan worden (Schönfeld 1970: 72). In zijn artikel over de geografie van familienamen maakt Goossens zich daar weinig druk over en misschien ook wel terecht. Immers het gaat erom of de isoglosse van een klankverschijnsel samenvalt met een scheidslijn van een verschijnsel dat eraan te relateren is. Nu dat is hier duidelijk het geval. In het ou-gebied wonen in vrijwel elke gemeente meer dragers van namen met ou-vocalisme dan met ol en in het ol-gebied precies andersom.
De volgende vraag is of er uit de verhouding reguliere woorden / FN iets te concluderen is met betrekking tot de geschiedenis van de vocalisering van ol. Zoals eerder gesteld, zijn er twee mogelijkheden: de FN was nog geen FN en veranderde tegelijk met alle ‘gelijkluidende’ woorden, of er had in dit geval al wel een verbijzondering tot FN plaats gevonden en dat kan betekenen dat de FN onveranderd blijft, waar de reguliere woorden zich aanpassen. De spreiding van de vormen geeft in dit geval weinig aanleiding om te veronderstellen dat de FN zich al had afgezonderd: daarvoor zijn de geografische verschillen te gering. Waar kold, holt, enz. gezegd wordt, luiden de familienamen in overgrote meerderheid Scholten en Wolters; waar het koud en hout is, is het meestal Schouten en Wouters. Met andere woorden, Scholten en Wolters waren ten tijde van de vocalisering nog geen FN en deden daarom mee.
Derde mogelijkheid: de isoglosse van ou-ol-tegenstelling bij appellatieven heeft zich verplaatst en is tenslotte precies samengevallen met de scheidslijn ou-ol bij de familienamen, is te onwaarschijnlijk voor een onderzoek.

2. Van Will(e)gen
Was bij ol-ou de sociale factor te verwaarlozen, bij woorden, dus ook FN, waarin een schwa kan worden ingevoegd (woll(e)k), ligt dat duidelijk anders. In een eerder artikel heb ik aannemelijk willen maken dat schwa-epenthese in hoge mate beïnvloed wordt door sociale appreciatie, zozeer dat de afkeuring die er nu bestaat met betrekking tot schwa-epenthese in meerlettergrepige woorden (woll(e)ke) uitsluitend het gevolg is van normering en niet van toenmalige fonotactische tegenstellingen (Stroop 1988). Voorheen was schwa-epenthese alleen afhankelijk van het al of niet onmiddellijk op elkaar volgen van een liquida (l, r) en een (bepaald soort) consonant, ongeacht of ze beide in dezelfde lettergreep stonden: dus naast werrek evengoed werreken. Na de 17e eeuw wordt dat – om wat voor reden ook – anders en wordt de toelaatbaarheid van schwa-epenthese afhankelijk verklaard van de syllabegrens. Epenthese mag alleen als liquida en consonant tautosyllabisch zijn, deel uitmaken van dezelfde lettergreep. Dus wel acceptabel is nu werrek, maar niet werreken (Booij 1981:156); in latere publicaties zijn de voorwaarden overigens wat minder stringent gebleken (Berendsen-Zonneveld 1984-85).
Een familienaam die de mogelijkheid biedt om een vergelijking te maken met vergelijkbare appellatieven en na te gaan of ook familienamen in enig stadium in hun schrijfwijze gevolgen hebben ondervonden van genoemde regel is Van Wilgen.
Wie afgaat op de gegevens uit de RND krijgt het volgende beeld van het wel of niet optreden van de schwa in clusters met sonorant en consonant: in enkele delen van Drente, Overijssel en Gelderland treedt een schwa alleen op in een tautosyllabisch cluster, niet in andere fonotactische omstandigheden. Dus daar wel werrek, maar niet werreken 5). In feite zijn dit de enige gebieden waar de epenthese als fonologische regel voorkomt, want overal elders geldt: nooit een schwa (Groningen, Friesland en een stukje Drente) óf altijd een schwa (de rest van Nederland). Deze gebieden laat ik voor wat dit familienamenonderzoek betreft verder buiten beschouwing, eenvoudig omdat de gegevens uit de Repertoria te globaal zijn.
Nu dan de bewuste familienamen. Gekeken is naar namen van het type Van Wilgen. Uit het onderzoek van een andere deelnemer aan de Amsterdamse werkgroep, Mevr. Cathy Halsema, zijn de volgende provinciale verhoudingen ten aanzien van wel of geen schwa gebleken.
Wat ook de status van de onderzochte familienamen was, nog appellatief of al proprium, duidelijk is wel dat de vele gevallen van schwa-notatie ontstaan moeten zijn in een tijd dat er nog geen voorschrift bestond over de toelaatbaarheid van de schwa in heterosyllabische clusters. Van dat voorschrift hebben de dialecten zich weinig of niets aangetrokken:
In 46 plaatsen van de in totaal 1900 die in de RND zijn opgenomen, treedt schwa-epenthese alleen op in tautosyllabische clusters, dat is 0,02%. In alle andere plaatsen is er geen onderscheid tussen hetero- en tautosyllabische clusters.
Ingedeeld naar het wel of niet invoegen van een schwa in heterosyllabische clusters bij gewone woorden, ontstaan er twee groepen provincies:

A. zonder schwa B. met schwa
Friesland Utrecht
Groningen Noord-Holland
Drente (grotendeels) Zuid-Holland
Overijsel (id.) Zeeland
Gelderland (id.) Noord-Brabant
Limburg

Dan nu eenzelfde staatje, maar dan gebaseerd op de onderzochte familienaam Van Willegen. Links de enkele provincie waarin een aanzienlijk percentage van die namen geen schwa-epenthese3 vertoont, rechts de provincies waarin dat in overgrote meerderheid wel gebeurt; tussen haakjes staat het aantal naamdragers.

A. (FN) B. (FN)
Groningen 36-64 (22) Zeeland 0-100 (103)
Noord-Brabant 1-99 (561)
Limburg 6-94 (31)
Utrecht 14-86 (363)

De verdeling van deze vier provincies is in overeenstemming of correspondeert met het vorige staatje.
Bij de resterende provincies liggen de verhoudingen niet zo duidelijk. Ze zijn in onderstaand staatje opgenomen, met een opgave van de percentuele verhoudingen tussen niet-schwa /wel-schwa, en de categorie-aanduiding waartoe de provincie zou moeten behoren, gelet op het schwa-optreden in appellatieven, resp. (A) en (B):

C. (FN)
Overijsel (53-47) ca A Noord-Holland (49-51) B
Gelderland (35-65) ca A Zuid-Holland (42-58) B

Ik beperk me tot enkele globale opmerkingen. Ten eerste deze dat in de schwa-gebruikende provincies de familienamen doorgaans in overgrote meerderheid ook een schwa vertonen: Utrecht, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Uitzondering zijn de beide provincies Holland, waar de verhouding gunstiger is voor de vormen zonder schwa dan in de andere provincies die schwa-epenthese kennen. In Groningen is de verhouding vergelijkbaar met die in de provincies Holland, met dit verschil dat Groningen juist geen schwa-epenthese kent. Daar zijn de procentuele verhoudingen dus volgens verwachting. Overijsel en Gelderland weerspiegelen in hun percentages het feit dat ze een middenpositie innemen wat de verbreiding van de schwa-epenthese betreft. In Friesland en Drente komen te weinig naamdragers voor om ze in het onderzoek te betrekken.
Terwijl er in het algemeen dus een redelijke overeenstemming is tussen appellatieven en familienamen wat het schwa-gedrag betreft, blijkt de Randstad op dit punt een heel ander beeld te geven. In de beide provincies Holland is een groot aantal namen zonder schwa genoteerd, terwijl in het spreken de schwa daar altijd optreedt. Het gaat in Noord-Holland om 152 maal een naam zonder, tegen 201 mét een schwa: totaal 353 personen. In Zuid-Holland zijn die getallen respectievelijk 224 (zonder schwa) – 477 (met schwa): totaal 701 personen. Ongetwijfeld heeft deze afwijkende situatie te maken met het gebrek aan status dat de schwa op een zeker moment is aangewreven, waardoor het schrijven ervan in woorden die de schwa niet vanouds hadden, taboe was. Juist bij familienamen speelt dat fenomeen een belangrijke rol. Het aantal namen met een geschreven schwa waar die gesproken werd, is uiterst klein. Spellingen als de volgende komen bijv. niet voor: Kerreckhoven, Lamberechts, Lieberechts, Gijsberechts (vgl. wat deze laatste vorm betreft wat hiervoor is opgemerkt over de voornaam Gijsbrecht). De uitzondering op de regel is Lauwerijssen, waarnaast voorkomt Lauwrijssen.
Waarom deze afwijking zich vooral in de beide provincies Holland voordoet, is daarmee niet verklaard. Wellicht is het schrijven van familienamen in de Hollanden later begonnen dan elders. Stavenuiter (1975) merkt op dat in Noord-Holland pas vrij laat familienamen ontstaan zijn; de door hem aldus genoemde ‘adresnamen’ (zoals de in deze paragraaf onderzochte) zijn daarbij bovendien ver in de minderheid. Dat kan betekenen dat deze namen pas schriftelijk zijn vastgelegd toen de schwa-notatie definitief onmogelijk geworden was, ‘verboden’ was. Opmerkelijk is nog dat de namen uit de drie Hollandse steden naar verhouding veel meer schwa laten zien, dan die uit de rest van de provincies. De percentages zijn: Amsterdam 72,5% (met schwa dus); Den Haag 84%; Rotterdam 75%. In de beide provincies zijn die resp. 57 en 68. Dat kan een aanwijzing zijn dat schwa-notering inderdaad een kwestie van tijd was. De stedelijke bevolking is ongetwijfeld eerder met het schrijven van namen begonnen (toen de schwa minder taboe was) dan die van het platteland.
In andere delen van Nederland zijn dezelfde namen of eerder vastgelegd dan in de provincies Noord- en Zuid-Holland of het anti-schwa effect heeft daar pas laat zijn invloed kunnen manifesteren. Voor mensen wier taalreflexie sterk gebonden is aan het woordbeeld, en dat zijn bijna alle niet-taalkundigen, bestaat de schwa niet meer. Dat blijkt steeds weer als men probeert door middel van een schriftelijke enquête iets over het voorkomen van de schwa te weten te komen. Zelfs ervaren informanten van het P.J.Meertens-Instituut, uitdrukkelijk gevraagd om de schwa bij realiteit te noteren, laten dat op verbluffende wijze achterwege (zie Stroop 1988: 67). Zozeer is men blijkbaar beïnvloed door het woordbeeld in het Nederlands, dat hier een bijzonder karakter heeft ten opzichte van het dialectwoord. Want let wel: bij het noteren van elk ander dialectfoneem gaat het om het vervangen van een teken door een ander, bij de schwa gaat het om het invoegen van iets nieuws, en dat blijkt voor informanten iets heel anders te zijn. En tenslotte mag niet vergeten worden dat de ambtenaar die zo’n familienaam als eerste noteerde, van buiten kwam of zijn klerkenvooroordeel met zich meebracht.

3.0. De naam Boomgaard en var.
In deze paragraaf gaat het om een verandering van consonanten. De namen waaraan het appellatief boomgaard ten grondslag ligt, kunnen op fonologische gronden in drie groepen verdeeld worden. De eerste groep heeft het oorspronkelijke consonantisme bewaard; het betreft naamtypen als Uit den Boomgaard en Van den Boomgaard. De twee andere groepen vertonen wijzigingen in het woordinterne cluster mg, de eerste door aanpassing van de nasaal aan de fricatief g, de tweede door een volledige eliminering van de nasaal. Resultaten van de beide feitelijke ontwikkelingen zijn naamtypen als resp. Bongers en Bogaars. Aanpassing van de velaar g aan de voorafgaande nasaal, in feite deletie van die velaar, komt ook voor: bommerd, in Drente en Gelderland, maar er zijn geen familienamen met deze vorm.
Volgens bepaalde criteria beschouwd, zijn er van de drie naamtypen in Nederland totaal ruim 100 varianten in gebruik. Het aantal dragers van wat ik nu de oorspronkelijke vorm noem, Boomgaard, bedraagt 509; Bongersen e.d. waren er in 1947 4065, de naam Bogaars kende 16.093 vertegenwoordigers. In percentages: Boomgaard 2%, Bongers 20% en Bogaars 78%.
Een opvallende verhouding, aangezien de oudste vorm het minst blijkt voor te komen. In totaal waren er ruim 40 jaar geleden dus 19.572 personen met een familienaam waarin het woord boomgaard in enigerlei vorm figureert; het optreden van voorzetsel en lidwoord laat ik buiten beschouwing, evenals de morfemen die eventueel aan het basiswoord zijn aangehecht. Winkler (1885: 292) noemt de vormen op -s ‘oneigenlike vadersnamen’. Ook besteed ik geen aandacht aan de klinker van het tweede woorddeel, die varieert van aa tot schwa.
De eerste die aandacht gevraagd heeft voor familienamen afgeleid van het woord boomgaard is H.Buitenhuis. In een kort artikel geeft hij provinciegewijs een overzicht van de percentages van 3 varianten, die hij gekozen had vanwege hun interessante geografische aspecten. Buitenhuis eindigt met de hoop uit te spreken dat er nog eens een kaart van het woord ‘boomgaard’ zal worden gemaakt, als een bijdrage in het onderzoek naar de relatie tussen naamkundige en dialectologische gegevens. In het nuvolgende wordt daartoe een poging gedaan.
De basis voor deze paragraaf is gelegd door Lonneke Koolman, die deel uitmaakte van de hiervoor genoemde werkgroep.

3.1. De geschiedenis van het appellatief
De oorspronkelijke vorm, naam zowel als appellatief, boomgaard, hoort in woordstructureel opzicht bij de groep samenstellingen met een woordintern cluster mg. Voorbeelden zijn nog: bloemgracht, bloemgodin, bomgat, droomgezicht, kamgaren, kamgras, kraamgeld, kromgroeien, leemgroeve, naamgenoot, omgaan, (en nog een aantal samenstellingen met om) stamgast. Opmerkelijk is dat er – bij mijn weten – geen ongelede woorden met een intern cluster mg bestaan.
Het bijzondere aan boomgaard is verder dat dit woord als enige uit genoemde groep zijn status van samenstelling veelal heeft opgegeven en via die van afleiding uiteindelijk tot ongeleed woord geworden is, een woord dus waarbij geen afzonderlijke delen ieder met een eigen betekenis te onderscheiden zijn. Daardoor konden (of moesten) allerlei vormveranderingen optreden, waaronder een geval van assimilatie, die in het Nederlands verder niet voorkomen. De verandering van m als die gevolgd wordt door een g is zo’n uniek verschijnsel.
Deze verandering en de andere die erop volgden, hebben er overigens niet toe geleid dat de taalgebruiker het verband met het oorspronkelijke woord zou zijn kwijt geraakt: iedereen weet dat bongerd hetzelfde is uiteindelijk als boomgaard (Heeroma 1961: 246). Dit lijkt in tegenspraak met wat ik net vaststelde, nl. dat bongerd een ongeleed woord geworden is, maar is dat niet. De taalgebruiker kent beide vormen en vermoedt – althans volgens Heeroma – hun historische relatie, maar dat is wat anders dan dat hij bongerd morfologisch analyseert als boom+gaard > bongerd.
Het verschijnsel ‘boomgaard’, dat wil zeggen een weiland waar vruchtbomen stonden, is betrekkelijk jong. Een van de oudste vermeldingen is uit 1219, en afkomstig uit Zuid-Oost-Vlaanderen (Van Durme 1986: 296). Maar al bijna net zo oud zijn de eerste meldingen in het ‘Nederlands’ en is ook het gebruik als herkomstnaam. Dat laatste is wel begrijpelijk: de boomgaard was aanvankelijk een selectief verschijnsel, doordat er in een dorp meestal maar één was. Verder kwamen boomgaarden alleen nog voor in de nabijheid van kastelen of kloosters, die er natuurlijk ook de eigenaar van waren.
De Vries-De Tollenaere (1991: 91) meldt een bômgardo in het Oud-Saksisch en boumgarto in het Oud-Hoogduits. Het simplex gaard is volgens De Tollenaere het produkt van de samenval van twee woorden, met nauwverwante betekenis overigens: gardo ‘tuin’ (zie bômgardo) en gard ‘ingesloten ruimte’ (De Tollenaere 1991: 138). In het Middelnederlands van vóór 1301 (Corpus Gysseling) komen de volgende varianten van het woord (appellatief plus eventueel proprium) voor: boemgaard (9 x), boengaard (107x), bongaard (21x) en bogaard (6x); totaal 143. De percentages zijn hier: boemgaard 6%, boengaard + bongaard 89% en bogaard 5%; ik laat de eventuele aanwezigheid van een eind-schwa even buiten beschouwing.
Op grond van de afzonderlijke getallen ligt de conclusie voor de hand dat de oorspronkelijke vorm, eerstgenoemde dus, toen al op zijn retour was. Een illustratie daarvan vormt een kopie van een Brugse tekst uit 1283 waarin het originele boemgaard vervangen is door boengarde. Blijkbaar is de volgende stap een nog kleinere want naast dat boengaard komt tegelijk al de verkorte vorm bongaard voor, zij het wat minder, maar wel in dezelfde plaatsen, dus voornamelijk in Brugse en Gentse teksten. De oudste attestatie van boengaard is van 1263, de oudste van bongaard is van zeven jaar later, beide uit Gent.
De versmelting van de twee basiswoorden (gaard, resp. gaarde) is in de periode vóór 1301 nog niet voltooid, getuige het feit dat de helft van de vormen een schwa heeft, de andere helft niet. De aan- of afwezigheid van deze schwa lijkt ook niet af te hangen van het type variant, met één uitzondering: van de variant bongard(e) die in totaal 21 keer voorkomt, hebben 17 gevallen geen schwa.
Van de 145 attestaties van vóór 1301 zijn er 84 afkomstig uit Brugge; ze beslaan een periode van ongeveer 40 jaar, 1260-1300. Er zijn maar acht meldingen uit het tegenwoordige Nederland: een uit ‘Holland’, een uit Maastricht, drie uit Breda en drie uit Aardenburg. De overige zijn voornamelijk uit de beide provincies Vlaanderen. Al met al geen evenwichtig beeld van de toenmalige verspreiding, lijkt me. Ook de geografische spreiding van de verschillende varianten geeft geen duidelijk beeld van enige expansie of echte geografische tegenstellingen. Het komt erop neer dat alle varianten in deze periode naast en door elkaar voorkomen.
Zoals gezegd is de ontwikkeling van boomgaard tot boongaard een vrij zeldzame in het Nederlands. Op het eerste gezicht is er sprake van een assimilatie van m in de richting van de g. Maar tegelijk doet zich de vraag voor waarom in dit geval die assimilatie optreedt, terwijl dat in geen van de hierboven genoemde woorden het geval is. Daar is zelfs geen uitspraakpraktijk aanwezig die een spoor van assimilatie vertoont. Een belangrijk verschil lijkt me dat deze woorden ook in hun vorm het karakter van een samenstelling bewaard hebben, terwijl dat bij boomgaard al vroeg anders geworden is. Waarom dat zo is, weet ik niet, maar een belangrijk element bij de ontwikkeling van boomgaard is dat het tweede woorddeel gereduceerd werd en in de meeste dialecten tenslotte een schwa als klinker overhield.
Deze reductie van gaard, of misschien is beter hier te spreken van devaluatie, die volgens Schönfeld gebeurt als het gevoel voor de betekenis van de afzonderlijke delen verloren gaat (Schönfeld-Van Loey 1964: 182), zal zeker nog bevorderd zijn door de aanwezigheid in het Vlaams van het Franse suffix -aard, hoewel dat hoofdzakelijk gebruikt werd om mannelijke persoonsnamen te vormen, met ongunstige betekenis (Schönfeld-Van Loey 1964: 218): dronkaard. Ook een rol kan gespeeld hebben dat gaard(e) voornamelijk in samenstellingen optreedt.
Overigens is het vooralsnog de vraag of ‘assimilatie’ hier het juiste woord is. Het lijkt me voorbarig om deze ontwikkeling zonder meer als een assimilatie te beschouwen. Er is geen enkel geval bekend van een gedeeltelijke assimilatie van m aan de volgende consonant. Weijnen (1991: 147) noemt gevallen van ontwikkeling van m > n in auslaut, vooral in onbeklemtoonde positie. Zijn voorbeelden betreffen plaatsnamen: de inwoners van Zichem heten Zichenèèrs. Daarnaast ic bem dat in ic ben is overgegaan. Bij woordinterne gevallen van m > n denkt Weijnen wel aan de mogelijkheid van assimilatie, aan de volgende dentaal wel te verstaan. Hij noemt geen voorbeelden van m > n voor een velare consonant als g. Dat kan betekenen dat we boongaard op een lijn moeten stellen met bem > ben met als probleem dan weer dat in boomgaard de m niet in auslaut staat. Aan beide verklaringen kleven dus bezwaren.
Dat is misschien minder het geval bij de derde mogelijke oplossing, nl. dat m inderdaad door assimilatie aangepast is, maar dan meteen volledig, zoals bij nasalen gebruikelijk is, aan de volgconsonant, die velaar is natuurlijk: g. Dat zou betekenen dat de ng spelling staat voor de velare nasaal van woorden als bang, lang, ring, enz.. En dat een volledige spelling boonggaard of iets dergelijks zou moeten luiden. Maar die komen voor zover bekend niet voor, misschien omdat het cluster in boongaard van jonger datum is.
Nu eerst de eerste vocaal in boengaard. De structuurregels van het hedendaagse Nederlands sluiten een syllabe met een lange vocaal gevolgd door een velare nasaal uit (Trommelen 1984: 158). Het is niet waarschijnlijk dat die regels in het Middelnederlands anders geweest zullen zijn. Dat lijkt te leiden tot de conclusie dat er twee interpretaties van deze spelling mogelijk zijn. Ten eerste dat in boengaard nog een lettergreepgrens annex morfeemgrens lag tussen n en g, maar dan is die assimilatie m > n niet erg aannemelijk. Het is ook geen echte assimilatie, het is voor een nasaal ongebruikelijk half werk. Prof. Weijnen oppert hier de mogelijkheid van een dissimilatie van m ten opzichte van de b, maar dat is dan wel een op zichzelf staand verschijnsel. Bij deze interpretatie kan aangenomen worden dat de oe een lange klinker voorstelt.
De tweede mogelijkheid is dat door reductie van het tweede woorddeel metanalyse plaats had en de morfeemgrens ná de g kwam te liggen. Dan is de situatie ontstaan die wel volledige assimilatie mogelijk maakt. De syllabestructuurregels bepalen nu dat als de spelling ng een weergave bedoelt te zijn van de volledig geassimileerde m, de klinker kort moet zijn geweest, ook al werd hij als oe of oo gespeld. Op het moment dat de volledige assimilatie van m aan de velare consonant een feit was, moet de klinker verkorting ondergaan hebben. De dubbel gespelde o is dan een rest van de traditionele schrijfwijze en zegt niets over de feitelijke uitspraak. De als n gespelde consonant is het nieuwe dat men heeft willen honoreren.
Ik wijs er nogmaals op dat in het Middelnederlands vóór 1301, alle vormen nagenoeg tegelijkertijd voorkwamen. Wat de spellingvarianten van de eerste vocaal betreft zijn dat 9 vormen boemgaard; 21 vormen bongaard; bogaard wordt steeds (13 maal) met een o gespeld. Alleen bij de opvallende tussenvorm boengaard komen beide spellingen voor: 100 keer boengaard en 7 keer boongaard, waarbij aangetekend moet worden dat ook hier er in datering hoegenaamd geen verschil is.
Volgens Van Loey (1965: 64) houden deze spellingverschillen verband met de plaats van de vocaal in het woord, niet met een verschil in kwaliteit. In open lettergreep wordt doorgaans o gespeld, in gesloten lettergreep doorgaans oe, maar ook wel oo. Dat roept weer een probleem op met betrekking tot boongaard, want of we hebben hier een tot velaar geassimileerde nasaal + een fricatief, [ng], die beide tot dezelfde lettergreep behoren maar dan zou de klinker kort moeten zijn en dan klopt de spelling niet, of we hebben nog een gelede woordvorm, maar dan is de assimilatie weer niet te begrijpen. Assimilatie ontbreekt immers bij alle overige samengestelde woorden met -n + g-.
De taalhistorie biedt ons de oplossing. Want het Nederlands van nu mag dan wel bezwaar hebben tegen een lange vocaal (VV) vóór die merkwaardige velare nasaal, dat bezwaar komt in een ander licht te staan als we de geschiedenis van dit foneem nagaan. De hedendaagse velare nasaal, in bijv. laõe, is het assimilatie-produkt van twee consonanten, de velare nasaal [õ] zelf, gevolgd door een fricatief [(], en dat feit is blijkbaar nog steeds beslissend voor de bestaande fonologische restrictie op lange vocalen in een lettergreep met een [õ] in zijn coda, alsook voor de andere restricties van de velare nasaal (bijv. ‘onmogelijk in onset’), maar dit terzijde. In een periode dat de [õ] een allofoon was van [m] hoefde er geen bezwaar te bestaan tegen een lange vocaal vóór een velare nasaal, want die was in deze periode gelijk aan elke andere nasaal. En die verdraagt gewoonlijk wel zo’n lange vocaal voor zich: oom, aan, enz.. Dus moet boo[õ] ook een acceptabele vorm geweest zijn. Vandaar, na de assimilatie van m, dat er vormen als boo[õ]gaard gesproken konden worden, althans zo veronderstel ik.
In feite sluit boongaard zich aan bij de woorden die van oorsprong eenzelfde cluster kenden, alle verbogen vormen van adjectieven als lang, jong, en appellatieven als ring, koning, enz.. Taeldeman (1986) heeft, aan de hand van gegevens uit de Vlaamse dialecten, aangetoond dat de oorspronkelijk niet-continuante velaar [g], daar in intervocalische positie ‘gespirantiseerd’ is tot [(] waardoor een cluster [õ(] ontstond. In het hedendaagse Platgents is een dusdanige uitspraak nog normaal:
la[õ(]e (Taeldeman 1986: 298). Datzelfde cluster, met zijn tot velare nasaal geassimileerde m, hebben we ook in boengaard. De volgende stap is dat de fricatief [(] assimileert aan de voorafgaande velare nasaal met de nu verplichte verkorting van de vocaal: bongaard; vgl. lange, ringen, enz.. De parallel kan zelfs nog verder doorgetrokken, want ook de volgende stap in de ontwikkeling, waardoor lange e.d. de nasaliteit verloren, [la:c], heeft zich bij bongaard voorgedaan, blijkens de variant bogaard, zij het op veel grotere schaal dan bij lange het geval is. Na uitval van de n is de klinker door zijn positie in open lettergreep gerekt.
Er is een tweede variant zonder nasaal met lange o, bogaard, die een andere geografie heeft dan de vorige, hij komt nl. in een deel van Zeeland voor. Deze tweede variant heeft dezelfde vocaal als het simplex boom, dat is dus de vanouds lange [ô]. De klinker in het vorige bogaard verschilt van deze; dat is nl. dezelfde als het rekkingsproduct van elke korte [o] in open lettergreep.

Ik geef nu een overzicht van de verschillende fonologische ontwikkelingen:
1. boomgaard > boogaard (in delen van Zeeland en Holland en op Wieringen, met in beide vormen dezelfde vocaal, dezelfde vocaal dus als in het simplex boom; ik spel deze vocaal als oo). Misschien een geval van m-deletie, zoals Pauwels (1958: 194) meent, al zou dat een op zichzelf staand geval zijn. Er is ook te denken aan een tussenstadium boo[õ(]aard, dat ook in ontwikkeling 2. een rol speelt. Bij het hierna te bespreken wijngaard heeft zich iets dergelijks voorgedaan. Absorptie van een nasaal door een homorganische consonant is nl. wel gewoon; vgl. Stroop (1994).
2. boomgaard > boo[õ(]aard > bo[õ]aard of bo[õ]erd > bogaard of bogerd.
De tweede vorm in deze reeks verloor door assimilatie zijn velare fricatief [(] aan de velare nasaal; er trad verkorting op en vervolgens verdween de nasaal of de nasaliteit en werd de korte o weer gerekt, met bogaard of bogerd als resultaat; een geval van ‘Ersatzdehnung’. De gerekte klinker in bogerd is dezelfde als rekking van korte o in open lettergreep steeds ter plaatse oplevert en verschilt dus van de klinker in boom.
Ook Colinet (1896: 41) was het merkwaardige verschil opgevallen; hij had er alleen nog geen verklaring voor: ‘De Nl. woorden stoomboot en boomgaard worden [stombuyt] en [bãgord]. De klankwijziging is mij in beide gevallen duister.’ Colinet bedoelt in beide gevallen de eerste klinker en dus ook de [ã] in [bãgord], die een andere is dan die in boom: [buym]. Ook hier in ‘boomgaard’ een klinker die gelijk is aan het rekkingsproduct van [o] in open lettergreep; vgl. in Aalst: [kãker] ‘koker’.
Er is een verwant woord, naar betekenis en naar structuur, waarbij zich een vergelijkbare ontwikkeling heeft voorgedaan, nl. wijngaard, ook familienaam, ook appellatief. De vormen zijn: wijngaard – wingerd – wijgerd. De parallellie met boomgaard is bijna volmaakt. Wingerd is een verkorting van wijngaard; vgl. bongerd. Wijgerd (o.a. de naam van een onkruid: wilde wijgerd) is ontstaan door deletie van n; deze vorm is dus vergelijkbaar met de eerste vorm boogaard, die met hetzelfde vocalisme als boom, nl. de oude [ô] 6).
Dit leidt tot de hypothese dat waar de oo van boom en boogaard identiek zijn, vormontwikkeling 1. aantoonbaar zou moeten zijn. Waar die beide oo’s verschillen, moet 2. zich hebben voltrokken. Door het ontbreken van oude gegevens is dat niet gemakkelijk aan te tonen; soms kunnen toponiemen uitkomst bieden; zie hieronder. Een geval apart is [buc(öt]. Deze vorm is opgegeven voor Aarschot en Leuven. Het woord blijkt er dezelfde vocaal te hebben als [buMm], maar dat is een gevolg van de toevallige omstandigheid dat in die dialecten in sommige woorden een gerekte korte o samenvalt met de “scherplange oo” (Pauwels 1958: 41).
3. In Noord-Limburg en in enkele plaatsen in oostelijk Noord-Brabant is de ontwikkeling iets anders verlopen. Daar heeft bongerd alleen zijn nasaliteit verloren en is de klinker kort gebleven: boggerd; vgl. ons -> os. Prof.Weijnen wijst me op de mogelijkheid dat de vorm het resultaat is van (secundaire) verkorting van bogerd. De geografische ligging van de vorm (zie kaartje 2) verzet zich tegen geen van beide mogelijkheden.
4. In Gelderland (te weten Gelders Eiland, gem. Rijnwaarden) en in Zuid-West Drente komt op sommige plaatsen bommerd voor. Het is duidelijk dat daar geen assimilatie van m heeft plaatsgevonden. Hier is de g van boomgaard juist gedeleerd, overigens nadat de klinker eerst verkort was. Vergelijkbaar is boomaard dat voorkomt in Oostduinkerke en omgeving (Sercu 1972: 124). In feite staan deze vormen nog het dichtst bij het oorspronkelijke boomgaard. Niet toevallig daarom wellicht dat ze in de periferie voorkomen.
5. Nog een klein geval is bonnet (Zeddam). Deze vorm is natuurlijk wel ontstaan uit bongerd, door deletie van de g. De vraag is of hier niet eerder sprake is van palatalisering van de velare nasaal tot een coronale. De plaats Zeddam ligt dicht bij die van 4.
Voorzover er in de literatuur iets over de herkomst van bogerd gemeld wordt, is het dat de vorm een gevolg is van deletie van m. Naar mijn mening geldt dat maar in een beperkt gebied en moeten we meestal uitgaan van een ontwikkeling in drie stadia, die hierboven met 2 is aangeduid: boomgaard -> bongerd -> bogerd.
Daarvoor zijn de volgende argumenten aan te voeren:
1. alle drie de vormen komen in dezelfde periode in de oudste teksten voor in één plaats, Brugge, maar verder ook in het hele Vlaamse gebied. De eerste vorm is duidelijk op zijn retour, de tweede is veruit de meestgebruikte, de derde is althans in dit gebied in opkomst.
2. de eerste vocaal van bogerd is doorgaans een andere dan die van boomgaard, maar komt overeen met het rekkingsproduct van korte [o] in open syllabe, dezelfde [o] die voorkomt in bongerd.
3. de vorm bongerd komt voor in het oosten van ons taalgebied, bogerd daarentegen in het centrum en het westen. Dat correspondeert met het gegeven dat dat oosten perifeer is ten opzichte van centrum en westen. Het oosten bewaart dus een oudere vorm dan de beide andere gebiedsdelen. Bovendien zijn er attestaties bongerd in het tegenwoordige bogerd-gebied.
Een bijzonder geval is het toponiem Bangert, dat in enkele Westfriese plaatsen (Noord-Holland) voorkomt en daar uit bongerd ontstaan moet zijn (Weijnen 1991, 9). Bongerd zelf komt daar niet voor, maar aangezien in dit gebied, Drechterland e.o., onderscheid gemaakt wordt tussen de gerekte o en de vanouds lange ô (Karsten 1931: 40 en 139), en bogerd er een andere vocaal heeft dan boum, mogen we er van uit gaan dat ook hier bongerd het voorstadium van bogerd geweest is. Op Wieringen zijn beide vocalen daarentegen samengevallen en heet de boomgaard boogerd, een vorm die dus wel terug zal gaan op boomgaard (Daan 1950: 174).

Een globaal overzicht van de verbreiding in de hedendaagse dialecten geeft kaartje 1. Het is noodzakelijk globaal omdat er geen gelokaliseerde gegevens voorhanden zijn. De gegevens zijn nu gehaald uit bestaande monografieën en dialectwoordenboeken. Het beeld is eenvoudig: in het oostelijke deel van het Nederlandse taalgebied, van Limburg tot en met Drente, is de vorm bongerd in gebruik, met eventuele vocalische variatie. In het centrale en westelijke deel de vorm bogerd en varianten. In dit bogerd-gebied is in de schrijfwijze van deze variant onderscheid gemaakt wat betreft de kwaliteit van de eerste vocaal. Waar oo gespeld is, heeft boogerd dezelfde vocaal als het simplex boom, dat wil dus zeggen de vanouds lange ô, uit Westgermaans au. En er is een gebied bogerd, gespeld met één o (veel groter dan het vorige), waar de vocaal dezelfde is als die van de gerekte [o] in open lettergreep. Gegevens ontbreken ook hier om de isoglosse te kunnen trekken 7).
Dezelfde vocaal, maar dan niet gerekt, treffen we aan in de vorm boggerd, die in Midden-Limburg en oostelijk Noord-Brabant voorkomt.
In de drie noordelijke provincies, Groningen, Friesland en Drente, schijnt boomgaard niet voor te komen. Daar wordt opgegeven hof of de samenstelling appelhof of boomhof in de betekenis ‘boomgaard’. In Zuid-Limburg bestaat een vergelijkbaar heteroniem: wéj of fruitwei. Dat in een geval speciaal de appel is vernoemd, zal wel verbandhouden met het feit dat de appel de enige inheemse fruitboom is hier te lande, en dus tevens de oudste; vgl. De Vries-De Tollenaere 1991: 63.
Opvallend is dat in geen van de geraadpleegde dialectwoordenboeken e.d. een spoor van de oorspronkelijke vorm boomgaard voorkomt. Dat lijkt erop te wijzen dat die vorm nergens meer bestaat, althans niet in de dialecten. Op zich niet zo vreemd als men bedenkt dat het woord eind 13e eeuw al in de minderheid was. Wel bestaat in delen van Drente en Gelderland de variant bommerd, die een aanwijzing vormt dat de vorm met m daar inheems geweest is, zodat we mogen aannemen dat de variant bongerd, die daar algemeen is, een min of meer autochtone ontwikkeling is en niet het resultaat van een expansie vanuit het zuidwesten. En dat leidt tot de verderstrekkende conclusie, dat alle varianten grotendeels het resultaat zijn van autochtone ontwikkelingen.
Het is vreemd dat de ‘chaos’ die in de Vlaamse bronnen vóór 1301 geconstateerd kan worden, zo contrasteert met de overzichtelijke hedendaagse geografische situatie. De reden of oorzaak is waarschijnlijk dat bij het schrijven van de woorden of namen ‘boomgaard’ de traditie een rol van betekenis gespeeld heeft. Men schrijft over, en dat stabiliseert en consolideert de oude schrijfwijze en daardoor blijven nieuwe varianten onderbelicht. Dat kan men afleiden uit gegevens die bestaan uit de tussenliggende periode, 1300-1900, ruim genomen. In alle gevallen komt in geschriften uit die tijd in meerderheid de variant voor die ook de plaatselijke hedendaagse dialecten kennen. Enkele voorbeelden.
De enige vorm bongaert, in het Oorkondenboek van Brabant is uit Grave, 1565; alle overige Brabantse archieven geven alleen maar vormen zonder nasaal: bogaert en allerlei spellingvarianten, naast af en toe een vorm boomgaard, maar die blijft in geschrifte overal voorkomen (Vangassen 1952, passim). Deze verspreiding van bogaart komt goed overeen met de spreiding in de hedendaagse dialecten. De vorm bongaert heeft tegenwoordig een oostelijker spreidingsgebied. Dit verschil is niet strijdig met de hiervoor geopperde gedachte dat bongerd de oude vorm is en dat bogaard zich daaruit ontwikkeld heeft. L. de Man geeft in zijn Glossarium van de Brabantse Oorkondentaal alleen gevallen van bogaert e.d., conform de hedendaagse spreiding. J. Moors voor Belgisch Limburg hetzelfde. Goossenaerts voor Kempenland ook alleen bogaerd e.d., naast tweemaal een vorm met m.

3.2. De familienaam
De getalsverhoudingen van de 13e-eeuwse vormen vinden een gedeeltelijke parallel in het familienamenbestand, aangezien ook daar de vorm boomgaard het minst voorkomt. Wel is bogaard veel frequenter dan bongerd, althans op het totaal en dat is dus omgekeerd aan de situatie vóór 1301, toen boengaard e.d. in de meerderheid was.
Het Nederlands Repertorium van familienamen biedt de mogelijkheid na te gaan of de verhoudingen op provinciaal niveau aansluiten bij het kaartbeeld van de namen voor het begrip ‘boomgaard’ in de hedendaagse dialecten. Het hieronder afgedrukte staatje geeft de (afgeronde) percentages per provincie en per grote stad en de totalen. De namen zijn teruggebracht tot drie typen, waarbij alleen de vorm van de combinatie nasaal-velaar van het substantief geteld heeft. In dit stadium is ook geen aandacht besteed aan de combinatie met het voorzetsel van of uit, evenmin aan de aan- of afwezigheid van het (bepaalde) lidwoord. De percentages gelden de verhoudingen binnen het totaal van ‘boomgaard’-namen in een provincie.

Boomgaard % Bogaard % Bongers % TOTAAL
Groningen 42 52 6 102
Friesland 24 66 10 74
Drente 35 39 26 23
Overijsel 5 55 40 276
Gelderland 2 54 44 1840
Utrecht 1 89 10 811
N-Holland 5 84,5 10,5 1476
Z-Holland 1 88,5 10,5 3196
Zeeland 6 92 2 1232
N-Brabant 0,001 89 11 5549
Limburg 1 24 75 1784
Amsterdam 8 77 15 1488
Den Haag 1 84 15 992
Rotterdam 2 85 13 1824
Nederland 2 78 20
TOTALEN 509 16093 4065 20667

In verreweg de meeste provincies is Bogaard de meest frequente familienaam. In geen enkele provincie heeft Boomgaard de meerderheid. Wel is Boomgaard tweede naam in Groningen, Friesland en Drente, met behoorlijke percentages, al zijn de aantallen naamdragers niet erg groot. Dat komt ongetwijfeld doordat het woord boomgaard in deze provincies niet of nauwelijks voorkomt. Het gebruikelijke woord daar is hof of appelhof. De familienaam Boomgaard is er dus zeker niet ontstaan, maar geïmporteerd. Dat geldt waarschijnlijk ook voor de beide andere typen, waarvan ook maar weinig dragers zijn. Vandaar dat juist bij deze kleine aantallen naamdragers de percentuele verhoudingen heel anders liggen dan in provincies met grotere aantallen.
Er is maar één provincie waar Bongers de plaats van meest frequente familienaam in de ‘boomgaard’-groep inneemt, dat is Limburg. Limburg ligt in het gebied dat op de taalkaart BOOMGAARD bongerd heeft. Een belangrijk percentage Bongersen vertonen ook de provincies Gelderland en Overijssel en ook daar is bongerd de naam voor de ‘boomgaard’. Zeeland daarentegen heeft maar 2% Bongers, het minst van alle provincies. Deze provincie ligt dan ook het verst verwijderd van het bongerd-gebied op de taalkaart BOOMGAARD. Een redelijke mate van overeenstemming dus tussen familienamen-spreiding en de geografie van de heteroniemen ‘boomgaard’.
Over het algemeen is er trouwens in geografisch opzicht een significante parallellie tussen familienaam en appellatief. Waar de taalkaart bongerd vertoont, is de familienaam van die vorm zoal niet in de meerderheid (Limburg) dan toch procentueel belangrijk. Eigenlijk wordt de familienaam Bongers zelfs nog benadeeld door de gevolgde werkwijze van het simpele optellen van de nu levende naamdragers. Immers, als een familienaam getalsmatig een flinke voorsprong heeft op een andere, dan zal die voorsprong, als er geen bijzondere remmende factoren zijn, alleen nog maar groter worden in de loop der tijd. Zo gaat dat met de voortplanting nu eenmaal. Bij een volkstelling nú zou de verhouding Bogaard/Bongers zeker in het nadeel van de laatste gewijzigd zijn vergeleken bij die in 1947. En omgekeerd, mogen we aannemen dat Bongers er in de tijd vóór 1947 beter voorgestaan heeft.
Dat boomgaard de kleinste groep namen vormt, is niet vreemd, gezien het vroege verschijnen van de andere woordtypes, die deze vorm op de achtergrond gedrongen hebben, al is de vorm nooit helemaal verdwenen. Het appellatief boomgaard is een schrijftaalvorm gebleken, die in de dialecten geen stand gehouden heeft. Ook bogaard is trouwens, naast het gebruik in de dialecten, in bescheiden mate schrijftaalvorm geworden (o.a. bij Hooft); zie WNT en MWB s.v. boomgaard. Wat het (Standaard) Nederlands betreft geven de woordenboeken geen eenduidige informatie. Het lijkt erop alsof de vorm bogaard door de recentere woordenboeken wel aanvaard is, in tegenstelling tot de vroegere. Mijn indruk is overigens niet dat deze vorm nu werkelijk ook tot het gesproken Standaard Nederlands behoort.
Het oorspronkelijke boomgaard heeft zich al in een vroeg stadium als familienaam kunnen isoleren, en wat meer is, moet ook als zodanig, in de moderne zin van het woord gefunctioneerd hebben, waardoor het buiten het bereik kwam van de latere fonologische veranderingen. Dat blijkt uit het eenvoudige feit dat het woord in deze vorm als familienaam nog bestaat. Dat stadium zou wel eens vóór 1301 gelegen kunnen hebben, aangezien boomgaard toen al in de minderheid was. Als in het gebruik van boomgaard toen al niet een element van isolering gezeten had, zouden we het woord nooit hebben gekend, want de normale vorm van het appellatief was in deze periode – gelet op de grote hoeveelheid attestaties ervan – de variant boengaard.
Immers, het verschijnsel dat fonologische regels alleen op woorden van het normale lexicon effect hebben, sluit veranderingen van geïsoleerde woorden, als namen uit. Een naam is een ander woord geworden. Het is het idee van het eerder door mij geïntroduceerde principe van de Lexicale Leemte (Stroop 1984). Anders gezegd: uit het feit dat er een familienaam Boomgaard bestaat, terwijl het appellatief van deze vorm verdwenen is uit het Nederlands dat die naam voortgebracht heeft (de dialecten dus), blijkt dat de afsplitsing die daarvoor vereist is, ook had plaatsgevonden.
Het gebied waar Boomgaard deze gebruiksontwikkeling heeft doorgemaakt, staat min of meer vast: het moet in het zuidwestelijke deel van het Nederlandse taalgebied zijn geweest.
Aan de andere kant heeft de meest frequente 13e-eeuwse variant, boengaard, nooit de status van familienaam bereikt en dat is op het eerste gezicht erg vreemd.
Wellicht heeft hier het besef een rol gespeeld dat boengaard alleen de gesproken variant van boomgaard was; zie hierboven de redenering over de fonetische vorm. Het verband tussen beide vormen moet nog heel reëel geweest zijn en dan kan het prestige-gehalte een rol hebben gespeeld.
Ondertussen deden zich wel de nodige veranderingen voor bij het appellatief, veranderingen zoals ze hierboven beschreven zijn. Daarbij werd het verband met de oorspronkelijke vorm steeds losser. Er zijn twee belangrijke stadia te onderscheiden, die ook in de familienamen vertegenwoordigd zijn, nl. Bongerd en Bogaard. Aangezien de hiervoor geschetste fonologische ontwikkelingen de eerste vorm de prioriteit geven, zou de verwachting kunnen bestaan dat die vorm als familienaam ook ouder is. De vraag is of dat gerechtvaardigd is. Uit het overzicht van Nederlandse familienamen (het staatje hierboven) is gebleken dat er een duidelijk verband bestaat tussen de frequentie van de types per provincie en de geografie van het corresponderende appellatief. Dat impliceert dat de familienaam Bogaard pas die status verwierf toen in dat gebied de ontwikkeling bongaard -> bogaard op zijn minst in een vergevorderd stadium was.
Het lijkt er in elk geval op alsof de appellatieven overal pas familienaam zijn geworden toen de fonologische veranderingen zich voltrokken hadden. Steeds als er oude gegevens opduiken, blijken die aardig aan te sluiten bij het kaartbeeld van nu. Een andere conclusie die uit de overeenkomsten in spreiding getrokken kan worden is dat de ontwikkeling van appellatief tot familienaam overal min of meer in dezelfde periode heeft plaatsgevonden, met uitzondering van de namen boomgaard. Immers als in het gebied bogerd de familienaam gevormd was toen het appellatief daar nog bongerd was, het voorafgaande stadium dus, dan was dat uit de aanwezigheid van een flink percentage Bongersen daar gebleken. Dat is er niet, integendeel: in bijv. Noord-Brabant valt juist de dominante positie van de Bogersen en aanverwanten op.
Uit de overeenkomst in spreiding van familienamen en heteroniemen valt ook af te leiden dat beide het resultaat zijn van een autochtone ontwikkeling. Aanwijzingen daarvoor hebben we ook gevonden in de aanwezigheid van varianten met m, in Drente en Gelderland, die alleen maar verklaard kunnen worden uit de aanwezigheid in het verleden van de oorspronkelijke vorm boomgaard. De verbreiding van een variant die tot de huidige gebieden heeft geleid, is natuurlijk wel het gevolg van beïnvloeding of ontlening.

3.3. Appellatief versus familienaam
Er zijn twee gevallen van fonologische veranderingen die zich beperkt hebben tot het appellatief en die de als FN gebruikte vorm ongemoeid gelaten hebben. De eerste heeft zich voorgedaan in het gebied dat gevormd wordt door oostelijk Noord-Brabant en noordelijk Limburg. Kaartje 2 laat de verspreiding van de varianten van het woord voor ‘boomgaard’ zien, opgetekend in het materiaal SGV en het Limburgs woordenboek 8). Bogerd, dat algemeen is in Brabant, is daar al vanoudsher de gewone vorm. Dan bongerd, dat hier wellicht op dezelfde manier en in dezelfde tijd ontstaan is als in Vlaanderen, uit boomgaard uiteindelijk, maar zonder twijfel los van elkaar. Dat bestempelt deze assimilatie tot een natuurlijke klankverandering, die overal kon plaatsvinden. De volgende stap was van bongerd naar boggerd. Het is een geval van denasalering in een homorganisch cluster, met behoud van de korte vocaal, dus zonder ‘Ersatzdehnung’. Normaal treedt denasalering alleen op bij coronale clusters; vgl. us voor ons. Maar in wezen is er geen verschil met andere clusters van homorganische consonanten (vgl. Stroop 1994).
Boggerd uit bongerd moet een betrekkelijk recente ontwikkeling zijn, want de vorm is niet vertegenwoordigd bij de familienamen, terwijl er toch veel Bonger(d)s, zijn, de vertegenwoordigers van het voorstadium van die vorm; zie kaartje 3, dat de percentage naamdragers aangeeft van de variant Bonger(d)s e.d. op het geheel van ‘Boomgaardnamen’ in een plaats 9). Vergelijking van de kaartjes 2 en 3 toont hoezeer zelfs in een klein gebied er een duidelijke relatie is tussen dialect en familienaam. Immers, kort samengevat, de plaatsen met meer dan 40% de variant Bongers in de groep ‘Boomgaardnamen’ liggen allemaal in het dialectgebied waar de ‘boomgaard’ bongerd heet of, in een paar gevallen, in tenminste aangrenzende plaatsen. En omgekeerd, buiten dit gebied haalt de FN Bongers zelden meer dan 40%. Nog een argument voor de stelling dat de familienamen uit de ‘boomgaard’-groep hun status pas na de belangrijkste fonologische veranderingen bereikt hebben en dat de dragers ervan niet erg mobiel geweest zijn.
Een andere vorm die alleen als appellatief en niet als naam bestaat, komt in Zuid-West Drente en een deel van Gelderland voor: bommerd; een parallelle vorm is boomaard dat in Oostduinkerke en omgeving (Zuid-Vlaanderen) voorkomt; zie hierboven.


4. Conclusies
De bevindingen van de drie voorafgaande paragrafen zijn alsvolgt samen te vatten. Eerst in het algemeen, dat het erop lijkt dat bij alle drie de besproken familienamen de verspreiding van de verschillende varianten correspondeert met de oorspronkelijke verbreiding van het eraan tengrondslag liggende appellatief, voorzover die kon worden gereconstrueerd of in de huidige dialectgeografie weerspiegeld is. Migratie is blijkbaar altijd van bescheiden omvang gebleven. Dan over de afzonderlijke paragrafen.
In par.1, over het naamtype Scholten, is geconstateerd dat er een duidelijke parallel is tussen de geografie van de ou-ol tegenstelling en de scheidslijn tussen de familienamen Schouten en Scholten. Dat is een argument voor de conclusie dat deze woorden pas familienamen geworden zijn nadat zich de vocalisering van de l voltrokken had. Uit een vergelijking van de klankgeografie bij verschillende appellatieven bleek dat de isoglossen nagenoeg samenvallen, reden om hier te spreken van een klankverandering en te concluderen dat familienamen met een vergelijkbaar klankpatroon aan de verandering deelhadden.
Bij de invoeging van de schwa in familienamen, par. 2, was er ook een overeenstemming met het optreden van de schwa in appellatieven, met uitzondering van de provincies Holland. Daar vertoonden de familienamen veel minder schwa dan op grond van het voorkomen in appellatieven verwacht kon worden. Dat kan betekenen dat hier de namen in kwestie pas familienaam waren, nadat zich de opinie had gevormd dat het ‘schrijven’ van een schwa in een heterosyllabisch cluster niet geoorloofd was, danwel dat deze namen pas een geschreven vorm kregen toen de opinie over het geoorloofd zijn van deze schwa gevestigd was.
De veranderingen die het appellatief boomgaard in de loop der tijd heeft ondergaan, par. 3, vinden we terug in de familienamen, behalve relatief recentere ontwikkelingen als boggerd en bommerd/boomaard, wat een hoge ouderdom niet uitsluit, zeker niet bij deze twee laatste.
Ook bij de groep ‘boomgaard’-namen blijkt dat de geografische spreiding van de varianten overeenkomsten vertoont met die van de gelijkluidende appellatieven. Een bijzondere afwezige onder de familienamen is boongaard, dat in het begin nog de meestgeschreven vorm was. Waarschijnlijk is dit dan een secundaire, allofonische variant geweest, gevolg van een fonologische regel, naast de ‘Stadhuisvorm’ boomgaard.
Voor wat de meer theoretische kwesties betreft die in 0.0. zijn besproken, blijken de conclusies wat bescheiden uit te vallen. Een van de oorzaken is dat geen van de namen geïmporteerd is. De veranderingen waaraan de drie autochtone appellatieven hebben blootgestaan, verschillen op enkele punten.
Schwa-insertie in een cluster met sonorant is een proces dat bijna zo automatisch is als assimilatie. Er bestaat dan ook geen verschil in dit opzicht tussen appellatieven en namen. Het verschijnen in geschrifte hangt er eenvoudig van af of een taalgemeenschap het geoorloofd vindt de schwa te noteren, want gesproken wordt hij in elk geval (bijna in het hele Nederlandse taalgebied).
De klankverandering die bij Scholten is opgetreden is een pure klankverandering: elke combinatie ol is in een bepaalde periode in een bepaald gebied veranderd in ou. Dat dat bijna precies ook zo geldt voor de familienamen die de vereiste constellatie vertonen, is een aanwijzing dat die namen toen nog niet de status van familienaam in de tegenwoordige betekenis hadden. Dat hoeft ook niet te verbazen bij een klankverandering die zich al zo vroeg in de geschiedenis van het Nederlands voltrokken heeft: uiterlijk begin 13e eeuw (Schönfeld 1964: 72).
Bij boomgaard ligt de zaak wat ingewikkelder. We mogen aannemen dat het woord een autochtoon karakter had toen het op zeker moment ook als herkomstnaam ging functioneren. Het is vrij zeker dat de varianten in deze groep familienamen ontstaan zijn voordat er sprake was van een ‘naam’. Het gaat voor een deel immers om veranderingen die in het Nederlands alleen bij dit woord zijn opgetreden. Alleen in de par. boomgaard zijn ook enkele klankveranderingen aan de orde geweest die zich beperkt hebben tot het appellatief en die de gelijkluidende naam ongemoeid gelaten hebben. Dat zijn boggers in Limburg en bommerd/boomaard in Drente en Gelderland, resp. in Zuid-Vlaanderen.
Op grond van de drie onderzochte familienamen en hun substantivische tegenhangers kan vastgesteld worden dat de fonologische veranderingen hier hebben plaats gevonden voordat appellatieven de status van naam bereikt hebben: ze zijn gewoon meeveranderd en waren dus nog geen ‘naam’. In zijn artikel over bekker-bakker komt Goossens tot een tegenovergestelde conclusie (Goossens 1971).

BIBLIOGRAFIE
Er is van afgezien om in de bibliografie de monografieën en lexica op te nemen die alleen maar de regionale vormen van ‘boomgaard’ geleverd hebben, op grond waarvan kaartje 3 BOOMGAARD getekend is. Men vindt ze in de bibliotheek van het P.J. Meertens-Instituut te Ansterdam. Het kaartje is behalve op de gegevens die in noot 7 genoemd zijn, gebaseerd op materiaal voor de navolgende plaatsen, subs. gebieden: Aalst, Aarschot, Betuwe, Antwerpsch Idioticon, Drente, Elten-Bergh, Friesland, Gelderland-Overijsel, Gelders Eiland, Groningen, Heerlen, Kampen, Maaseik, Made, Meerlo-Wanssum, Meyel, Noord-West-Veluwe, Oostende, Overflakkee, Tongeren, Tungelroy, Twente, Uikhoven, West-Vlaanderen, Winterswijk, Zeddam, Zelhem, Zuid-Oost-Vlaanderen, Zutfen.

  • Berendsen 1984-85, E. en W. Zonneveld
    ‘Nederlandse schwa-invoeging op z’n Deens’ in Spektator 14, blz.166-169.
  • Booij 1981, G.E.
    Generatieve fonologie van het Nederlands, Utrecht.
  • Buitenhuis 1981, H.
    ‘Familienamen afgeleid van het woord boomgaard’ in Naamkunde 13, blz.242-244.
  • Daan 1951, J.C.
    Wieringer land en leven in de taal, [Alphen aan de Rijn].
  • Durme 1986, L. van
    Toponymie van Velzeke-Ruddershove en Bochoute deel 1, Gent.
  • Goossens 1971, J.
    ‘Bakker in het Brabants’ in Taal en Tongval, 23, blz. 94-97.
  • Goossens 1978, J.
    ‘Naar een Nederlandse familienaamgeografie’, in Naamkunde 10, blz. 213-233.
  • Heeroma 1961, K.
    ‘Wat is assimilatie?’, in De nieuwe taalgids 54, blz.245-251.
  • Karsten 1931, G.
    Het Dialect van Drechterland, Purmerend.
  • Lafeber 1967, A.P.M.
    Het dialect van Gouda, Gouda.
  • Leys 1965, O.
    ‘De eigennaam als linguïstisch teken’, in Mededelingen van de Vereniging voor naamkunde te Leuven en de Commissie voor naamkunde te Amsterdam 41, 1-81.
  • Loey 1965, A. van
    Middelnederlandse Spraakkunst; II. Klankleer, Groningen.
  • Man 1956, L. de,
    Bijdrage tot een systematisch glossarium van de Brabantse oorkondentaal; 1300-1550, Leuven.
  • Meertens 1943, P.J.
    De betekenis van de Nederlandse familienamen, Naarden.
  • Moors 1952, J.
    De oorkondentaal in Belgisch-Limburg van circa 1350 tot 1400, Tongeren.
  • Pauwels 1958, J.L
    Het dialect van Aarschot en omstreken, I. Tekst, Belgisch Universitair Centrum voor Neerlandistiek.
  • Schönfeld 1970, M.
    Schönfelds historische grammatica van het Nederlands, verzorgd door A. van Loey, Zutphen 8e druk.
  • Schönfeld 1950, M.
    Veldnamen in Nederland, 2e druk Amsterdam (herdruk Arnhem 1980).
  • Sercu 1972, A.
    Het dialekt van Oostduinkerke en omgeving, Gent.
  • Stavenuiter 1975, P.J.J.
    ‘Waren achternamen familienamen? Een functioneel achternamensysteem te Enkhuizen in de 16e en 17e eeuw’, in Bijdragen en Mededelingen van de Commissie voor naamkunde, enz. 29, 19-42.
  • Stroop 1984, J.
    ‘De lexicale leemte als verklaringsprincipe’, in Taal en Tongval 36, 1-24.
  • Stroop 1988, J.
    ‘Twee soorten schwa’, in Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 104, 52-69 en 81-114.
    Stroop 1994, ‘Afgedwongen nasalering’, in Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 110, blz.55-67.
    Taeldeman 1986, J.
    ‘Nieuw licht op intervocalische vanuit de Vlaamse dialecten’, in Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 102, 294-302.

  • Vangassen 1952, H.
    Bouwstoffen tot de historische taalgeografie van het Nederlands; Hertogdom Brabant, Belgisch Inter-Universitair centrum voor Neerlandistiek.
  • Vries 1991, J. de en F. de Tollenaere
    Etymologisch woordenboek, [Utrecht], 15e druk.
  • Weijnen 1991, A.
    Vergelijkende klankleer van de Nederlandse dialecten, ‘s-Gravenhage.
  • Winkler 1885, J.
    De Nederlandsche Geslachtsnamen, Haarlem.

Noten

  1. Voor de definitieve versie van dit artikel heb ik gebruik kunnen maken van een aantal waardevolle opmerkingen van Toon Weijnen.
  2. Het is wenselijk om onderscheid te maken tussen de veel, maar ook vaak onjuist gebruikte term lexicale diffusie en het door Kloeke beschreven verschijnsel. In het laatste geval hebben woorden die eenzelfde klankverandering hebben ondergaan, niet hetzelfde verspreidingsgebied (huis versus muis): als in een plaats een van de twee woorden veranderd is, is het altijd huis. Dit kan beter geografische diffusie genoemd worden. Het door Chen en anderen beschreven proces houdt in dat per plaats de verdeling over het lexicon willekeurig is. In plaats A zijn de woorden a, b en c veranderd, in plaats B bijv. c, f en g, enz.. Van zo’n verschijnsel is geen woordkaart te tekenen, hoogstens een kwantiteiten-kaart. Dit is lexicale diffusie.
  3. Voor dit artikel is gebruik gemaakt van het materiaal en deels ook de bevindingen van resp. Liesbeth Oskamp, Cathy Halsema en Lonneke Koolman.
  4. Voor haar nota heeft Mevrouw Oskamp kaarten getekend van koud uit zin 58 en hout uit zin 109.
  5. De gegevens zijn ontleend resp. aan RND-zin 4: ‘Spitten is lastig werk’ en zin 32: ‘Hij kan niet gaan werken, hij heeft keelpijn’.
  6. Jan Goossens maakt me attent op de mogelijkheid dat sommige bogaarden ‘begarden’ zijn, de mannelijke tegenhangers van de begijnen. De Bogaardenstraat in Leuven is naar hen vernoemd. Dat deze ‘bogaarden’ buiten de steden tot naamgeving op grote schaal aanleiding gegeven hebben, lijkt me onwaarschijnlijk. En of dat in de steden gebeurd is, hangt af van de mate waarin de begarden het celibaat in acht namen of alleen geacht werden dat te doen. En afgezien daarvan: Goossens merkt terecht op dat de twee woorden bogaard niet van elkaar te onderscheiden zullen zijn. Dit alles geldt natuurlijk niet voor de massa ‘boomgaard’-namen die beginnen met een voorzetsel van of uit.
  7. Een gedocumenteerde overeenkomst tussen de oo van boom en de oo van boogaard heb ik aangetroffen in de dialectwoordenboeken en monografieën van de volgende gebieden resp. plaatsen: Culemborg, Goeree, Overflakkee (Zeeuws Woordenboek), West-Voorne (Z.H.), Wieringen, Zeeuwse eilanden. Verschillen zijn geattesteerd voor: Aalst, Drechterland, Gouda, Hasselt, Huisseling, de Antwerpse Kempen, Land van Axel, Land van Hulst, Land van Waas, Oerle, Oost-Bommelerwaard, Tessel, Walcheren, Zeeuws-Vlaanderen-West. De overeenkomst in Aarschot en Leuven is schijn: daar zijn de oorspronkelijk verschillende vocalen samengevallen (Pauwels 1958: 41).
  8. Het materiaal SGV (de enquête Schrijnen-Van Ginneken-Verbeeten van omstreeks 1910) zowel als dat van de Dialectvragenlijst 5A (1964) voor het Woordenboek van de Limburgse dialecten berusten in de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde.
  9. De ‘gehalveerde’ tekens op dit kaartje geven percentages aan die berusten om minder dan 10 naamdragers in zo’n plaats.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
jan_stroop RT @jan_stroop: @destandaard "Hoe ga je om met stotterende leerlingen? " Liefdevol
1hreplyretweetfavorite
jan_stroop Volg in november mijn cursus 'van olla vogala tot Poldernederlands' https://t.co/uWtESwg9DB
5hreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>