Onkruid (2)

Uit de Tuinkrant van Volkstuinvereniging ‘Nut en Genoegen’,  oktober 2014

Van alle onkruid waar ik als beginnend volkstuinder mee te maken krijg, is heermoes de vervelendste. Als je even niet op de tuin geweest bent, staat er weer een serie kerstboompjes op het pad. Je kunt ze heel gemakkelijk wegtrekken, maar ze komen even gauw weer terug. Het woord heermoes wordt overigens door de spellingcorrector van m’n computer niet herkend. Wij op de tuin zeggen wel heermoes, maar dat is eigenlijk een naam die in de Waterlandse dialecten niet voorkomt. We zouden paardestaart moeten zeggen, want dat is vanouds ’t woord in onze streek. Of anders unjer. Dat zeggen ze in elk geval in West-Friesland, het gebied tussen Alkmaar en Enkhuizen.

 

De meestgebruikte naam in Nederland is kattestaart, net als andere namen als paardestaart, rattestaart en vossestaart, een doorzichtige naam. Dat kun je niet zeggen van heermoes en nog minder van dat unjer. In de vormen härenmuos, härmuos komt ons woord voor in de dialecten van Brandenburg (Noord-Duitsland). Het woord is daar terecht gekomen door Nederlands kolonisten die daar in de twaalfde eeuw naartoe trokken om moerasgebieden in te polderen. Die hebben daar blijkbaar ook dat vervloekte heermoes aantroffen. De Duitse taalkundige Hermann Teuchert verklaart heermoes als ‘herbes Gemüse, dat wil zeggen ‘zuur voer’. Er zijn ook andere etymologische verklaringen voorgesteld maar deze lijkt me zo gek nog niet, want heermoes bevat kiezelzuur in de stengels.

 

Unjer is nog veel onduidelijker. In de enige verklaring die ik gevonden heb, wordt verband gelegd met Hongaar. Dat woord is ‘zigeuner’ gaan betekenen, vervolgens ‘tovenaar’ e.d.. Vanwege de bijgedachte aan ‘duivels’ die het woord oproept, is het woord dan ook de naam voor de paardestaart geworden, zegt men. Ik ben niet overtuigd. Ten eerste mis ik de h en ten tweede hebben Hongaar en unjer een verschillende klemtoon. Maar ik heb geen betere verklaring.

 

 

heermoes

 

Wat de paardestaart ondergronds doet, zich vertakken, doet de haagwinde gelukkig bovengronds. Het opvallendst aan de haagwinde zijn natuurlijk de witte bloemkelkjes. Wij in West-Brabant noemden ze piespotjes, maar die naam blijkt als naam voor de hele plant zowat in ’t hele Nederlands taalgebied voor te komen, tot aan de taalgrens in België. De officiële naam, haagwinde, komt in de dialecten praktisch niet voor. De variant hegwinde wel; die is West-Vlaams. De meeste namen voor haagwinde verwijzen naar zijn bijzondere kenmerk. Ze zijn afgeleid van de werkwoorden winden, binden, klimmen en ranken.

 

De uitzondering is het Friese spookbloem. Dat is afgeleid van het werkwoord spoken in de betekenis ‘te keer gaan’. Dat moet dan figuurlijk bedoeld zijn, want zoveel lawaai maken deze piespotjes nou ook weer niet. In andere gebieden worden de klaproos en de korenbloem juist spookbloem genoemd. Toch ook wel omdat die daar als rondspokend onkruid gezien worden of werden.

 

 

Kaartje Heermoes ontleend aan de Databank Plantennamen in de Nederlandse Dialecten
http://www.meertens.knaw.nl/pland/

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
jan_stroop RT @jan_stroop: @destandaard "Hoe ga je om met stotterende leerlingen? " Liefdevol
2hreplyretweetfavorite
jan_stroop Volg in november mijn cursus 'van olla vogala tot Poldernederlands' https://t.co/uWtESwg9DB
5hreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>