Nu gaat (die)gene met de die

(eerder gepubliceerd in: Voor Magda. Artikelen voor Magda Devos bij haar afscheid van de Universiteit Gent, Johan De Caluwe, Jacques van Keymeulen [red.], Gent 2010, blz.  551-560)

In the traditional Dutch grammar some demonstrative pronouns can only be used to refer to a person; they must be followed by a subordinate clause : ik ken diegenen die daar wonen (‘I know those who live there’). In present-day Dutch the posibilities seem to be extended.
1. Diegene can also be used in combination with a prepositional phrase: diegene met het lange haar (‘the person with the long hair’).

2. Diegene can refer to objects as well: diegene is rijp (‘that one is ripe’).

3. Diegene can be used anaphorically: ik heb diegene gesproken (‘I talked to him’).

4. Diegene can be used as a noun: ik ken diegene (‘I know that person’).
These so called new possibilities appear to be revivals of those of older Dutch. In the southern Dutch dialects a possibily similar to nr. 4 exists: ik ken de die (‘I know those ones’). De die is a combination of an article and a demonstrative, which is in fact also the case with diegene.

 

INLEIDING

Ze heten vanouds bepalingaankondigende woorden, de pronomina degene en diegene, in bijvoorbeeld: degene die het eerst komt, waarin die het eerst komt traditioneel gezien wordt als een bepaling bij degene. Tegenwoordig kunnen ze heel wat meer dan het aankondigen van bepalingen. Dat is opgemerkt door Marlies Philippa. Die schreef in het decembernummer van Onze Taal in 1993 een korte observatie: “Maar ik beluister al jarenlang taaluitingen van tienermeisjes waarin het wemelt van de diegenes”. Met dat ‘maar’ neemt Philippa afstand van de formulering in de ANS dat woorden als diegene vooral in geschreven taal gebruikt worden. De opmerking in de ANS (blz. 223) heeft overigens alleen betrekking op het bepalingaankondigende diegene; de opmerking is in dat geval ook juist, lijkt me. Maar er is meer en dat wordt ook door Philippa gesignaleerd, namelijk dat diegene in het door haar beluisterde taalgebruik ongeveer staat voor ‘die persoon’ en niet meer gevolgd wordt door een betrekkelijke bijzin.

 

Dit nieuwe gebruik van degene/diegene was al in 1985 als normaal Nederlands vastgelegd in de Nederlandse Grammatica voor Anderstaligen van A.M. Fontein en A. Pescher-ter Meer. Ze geven voorbeeldzinnen met degene gevolgd door een voorzetselbepaling: Wil degene met de hond de zaal verlaten? en andere waarin degene terugverwijst: Er is iemand met een hond in de zaal. Wil diegene de zaal verlaten?

 

Nog ouder is de waarneming van Minne de Boer, die in 1970 van een studente (ook hij!) hoorde dat “Als iemand dat zegt, dan heeft degene het mis” of zoiets; in elk geval, degene werd in het gehoorde zinnetje anaforisch gebruikt. (De Boer 2001: 297). In het artikel waarin De Boer de mededeling doet van die vroege attestatie, behandelt hij de nieuwe ontwikkelingen die hij bij degene vaststelt. Dat zijn deze:
1. degene-1 is niet meer beperkt tot personen
2. degene-2 kan ook anaforisch gebruikt worden
3. degene-3 kan ook gevolgd worden door een voorzetselbepaling
Alle drie mogelijkheden die in de ANS uitdrukkelijk uitgesloten worden.

De vraag is of deze nieuwe ontwikkelingen allemaal wel zo nieuw zijn. De vraag stellen is nog niet hem beantwoorden. Vandaar wat volgt.

 

1. DEGENE-1 WAS EERDER BEPERKT TOT PERSONEN
Van de beperking ‘tot personen’, die in hedendaags Nederlands geldt, is in ouder Nederlands weinig te merken. Daar verwijst degene regelmatig naar dieren of dingen, bijvoorbeeld naar een peer, bij Jacob Cats, Sinne- en Minnebeelden (1627), blz. 65:
’t Gaet met den mensch, als met de peer;
De dees is rijp en sijght ter neêr;
De geen, noch groen, dient niet gepluckt;
Wert lijckwel van den boom geruckt,

 

In de volgende citaten uit het WNT verwijst degene achtereenvolgens naar vaartuigen, een vlindersoort, remediën en boeken:
– De vaartuygen te examineeren en de gene, die bevonden werden oud en afgevaeren te zyn, af te keuren (ao 1749)
– Deeze Soort, zig ook in Suriname onthoudende, schynt my de gene te zyn, die men hier de kleine Atlas noemt (ao 1767).
– Voor wtwendige remedien … salmen … gebruycken … de gene die vervochtigen ende beweecken, (ao 1597)
– soo van de Boecken daer men den druck van sal vraegen als van de gene die men sal willen herdrucken (a1. 1729).

 

Enfin, het WNT geeft nog honderden voorbeelden meer (te zoeken cd-Rom-WNT trefwoord GENE in: volledige tekst). Maar ook in het Middelnederlands kan degene naar niet-personen verwijzen, getuige dit citaat (in MNW): “Dat tusschen de helsche pine ende de gene engeen ondersceden en is” (ca. 1330).
Je vraagt je af waar dan de selectiebeperking die in elk geval tot midden 18e eeuw niet bestond, vandaan komt. Was het een gevolg van een natuurlijke ontwikkeling en wanneer is die dan begonnen of moeten we denken aan een taaldespotisme à la Huydecoper dat ook verantwoordelijk is voor de vrees voor ‘een vrouw waarmee ik op reis geweest ben’?

2. DEGENE-2 WERD EERDER NIET ANAFORISCH GEBRUIKT
Ook deze beperking heeft nooit echt bestaan. In de meeste voorbeelden hierboven, wordt degene anaforisch gebruikt en daar zijn ook weer veel meer voorbeelden aan toe te voegen. Bovendien zijn er ook al voorbeelden uit het Middelnederlands (MNW, cd-rom, zoekterm gene):
– Sestien jaer regneerde die ghone.
– Deghene begonste breke te hebbene
– Dat tusschen de helsche pine ende de gene engeen ondersceden en is
– Dat si corteren tyt selen moghen de ghene daer quellen, dan die si quellen in der hellen.
Zelfs impliciet anaforisch gebruik ontbreekt niet:
– Sulke liede hebben den voet verwrongen, niet al uten lede, maer een deel ongevoegelijc staende; dicwile laet men dien voet bi roekeloosheiden also bliven staende, dat degene daerbi blivet manc gaende.
Mocht deze beperking al bestaan hebben dan toch alleen in een soort tussenfase.

 

3. DEGENE-3 KAN NIET GEVOLGD WORDEN DOOR EEN VOORZETSELBEPALING
Twee van de door De Boer gesignaleerde en hiervoor geïllustreerde nieuwe ontwikkelingen in het gebruik van degene blijken dus niet zo nieuw te zijn: ze waren in ouder Nederlands heel normaal. Maar het gebruik van degene plus voorzetselbepaling-niet-bijzin is juist wel van recente datum. Voor De Boer zijn ze, zelfs nog op het moment dat hij zijn artikel schrijft, omstreeks 2000, nog marginaal.
De Boer citeert een voorbeeld uit genoemde Nederlandse Grammatica voor Anderstaligen, die uit 1985 is, degene met de hond. Wat zich merkwaardig genoeg helemaal aan de aandacht van taalkundige waarnemers heeft weten te onttrekken is het luidruchtige taalgebruik van wijlen Ramses Shaffy. Of ze waren er doof voor. In zijn bekendste lied, dat iedereen mee kan zingen of ooit meegezongen heeft, Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder, uit 1971, komt degene met voorzetselbepaling tien keer voor! Laat ik de eerste strofe citeren, om iets goed te maken:
Voor degene in een schuilhoek achter glas
Voor degene met de dichtbeslagen ramen Voor degene die dacht dat-ie alleen was
Moet nu weten, we zijn allemaal samen
Voor degene met ‘t dichtgeslagen boek
Voor degene met de snelvergeten namen
Voor degene die ‘t vruchteloze zoeken Moet nu weten, we zijn allemaal samen

refr.: Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder

 

Je mag er gerust uit concluderen dat bij alle mensen die dit meegezongen hebben degene met voorzetselbepaling deel is gaan uitmaken van de grammatica, in elk geval tijdens het zingen.
De Boer (2001: 292) heeft een groter aantal attestaties gevonden van diegene dan van degene. Dat komt overeen met mijn bevindingen met behulp van Google. Eerst zocht ik op diegene en degene zonder toevoeging. Daarbij zijn alle soorten van de twee vormen inbegrepen: bepalingaankondigend, anaforisch en met een nabepaling en misschien zitten er zelfs enkele gevallen tussen van diegene-4, wat niet waarschijnlijk is; zie de volgende paragraaf.
Het gaat om gigantische aantallen. Volgens mijn Google-consult op 8 februari 2010 komen diegene en degene samen 11.870.000 keer voor. Daarvan zijn 6.610.000, ofwel 55,6%, gevallen van diegene. Degene komt 5.260.000 keer voor zijnde, 44,3% van het totaal. Ik geef deze aantallen voor wat ze waard zijn.  In percentages is diegene in de meerderheid.

 

De verschillen worden veel groter als de voornaamwoorden gecombineerd zijn met een nabepaling. Daar heb ik naar ‘laten’ zoeken in de combinaties degene met de en degene met een; zo ook bij diegene, om er zeker van te zijn dat de zoekactie ook echte voorzetselbepalingen zou opleveren, en niet ook gevallen als degene met wie ik op school gezeten heb.
Het minst interessant was de uitkomst dat de combinaties degene/diegene met een minder frequent voorkomen dan degene/diegene met de. Maar de andere uitkomst was wel verrassend. Bij beide constructies blijken de verhoudingen omgekeerd aan die bij diegene/degene zonder toevoeging.
Nu is degene telkens in de meerderheid en dat royaal:
degene met de…: 464.000 hits 82% van het totaal: 566.000
diegene met de..: 102.000 hits 18%
degene met een…: 369.000 hits 80% van het totaal: 462.400
diegene met een..: 93.400 hits 20%

 

Die meerderheid van degene in deze constructies met nabepaling lijkt me goed te verklaren. Degene wordt door zijn nabepaling voldoende gedefinieerd en heeft dus geen verwijzing (die-) nodig. Een verwijzing is in dit geval zelfs paradoxaal. Dat er toch nog vrij veel diegene’s met de/een voorkomen, hangt wellicht samen met de praktijk van het vrije door elkaar gebruiken van degene en diegene in andere gevallen.
De Krantenbank levert iets andere verhoudingen op. Gedurende de laatste 6 maanden (augustus 2009 tot en met januari 2010) is degene in een groot aantal (ruim 60) Nederlandse kranten en bladen 5450 keer gebruikt. In 166 gevallen was dat in de combinatie degene met de/een, ofwel in 3% van het totaal. Blijkbaar is degene met voorzetselbepaling in de geredigeerde journalistiek op dit moment minder geaccepteerd dan bij de in het wild schrijvenden van Google, want daar was dat percentage resp. 9 en 8, gemiddeld dus 8%. Bij diegene is er geen verschil tussen Google en de Krantenbank: diegene met de/een: komt in de Krantenbank 15 keer voor, zijnde 1,4% van de in totaal 1054 gevallen.

 

Degene met een voorzetselbepaling-niet-bijzin is in geschreven Nederlands tegenwoordig algemeen geworden en dat in een periode van vier decennia. Dat wil overigens zeggen: in geschreven Nederlands, want in het Corpus Gesproken Nederlands zijn de aantallen minimaal:
Nederland: degene + VZ: 2; diegene + VZ: 6 Vlaanderen: degene + VZ: 1; diegene + VZ: 1 En dat in een Corpus van bijna 9 miljoen woorden.
Zo lijken diegene en degene + VZ toch nog voornamelijk schrijftaalvormen, als we op het CGN mogen afgaan. Of we dat inderdaad mogen, is voor mij geen uitgemaakte zaak. Ik stel bijvoorbeeld vast dat de uitkomsten van het CGN in flagrante tegenspraak zijn met de wemelende diegene’s van Philippa; zie hierboven. Ik heb me trouwens al wel vaker en ook bij andere research afgevraagd: van Welk Gesproken Nederlands is dit eigenlijk een Corpus?

 

Jammer is dat Ramses Shaff y, naar me later bleek, toch niet de eerste is die dit degene met gebruikt, want in het Vlaams Placcaertboeck Ao 1713 komt al zo’n constructie van degene met een voorzetsel voor; het gaat over een aantal kansspelen die verboden zullen worden zoals ‘de gene met Teerlingen’, (WNT, Vl. Placcaertb. 4, 74 (a1. 1713). Maar dat is een unicum, al illustreert het de syntactische mogelijkheden van degene.
Het type degene met de dichtbeslagen ramen (Ao 1971) verschilt wezenlijk van het diegene/degene dat verwijst naar een naamwoord en dus een waar pro-nomen is. Degene met de dichtbeslagen ramen verwijst niet naar iets contextueels, een post- of antecedent, maar het ‘noemt’ en krijgt zelf een bepaling bij zich, waardoor ’t het karakter heeft van een naamwoord met een voorzetselbepaling.

 

4. DIEGENE-4 ALS ZELFSTANDIG DEIKTISCH WOORD
Inmiddels is een vierde gebruiksmogelijkheid verschenen, die misschien al in die ene voorbeeldzin van Philippa verscholen zit, Ik heb diegene gisteren nog gezien, maar die door haar niet expliciet als zodanig gepresenteerd wordt. Het is een ander diegene dan de vorige drie, syntactisch maar ook semantisch.
In de twee eerste gevallen heeft degene het karakter van een pronomen dat in de plaats staat van een nomen of iets nominaals. Het verwijst in elk geval naar een post- of antecedent binnen de tekst of binnen de taaluiting, al dan niet impliciet. Voorbeeld: Als het om boeken gaat weet je nooit wat degene wil hebben (De Boer 2001: 298).
Degene-3 verschilt daarvan doordat het niet verwijst maar noemt en nader bepaald wordt. Het heeft daardoor zelf het karakter gekregen van iets nominaals.

 

Een stap verder op de weg van de nominalisering bevindt zich diegene-4 , dat op zichzelf al iemand noemt of wijst naar iemand of iets in de werkelijkheid. Zinnig is in dit verband het onderscheid dat De Vooys bij de persoonlijke en de aanwijzende voornaamwoorden maakte tussen aanwijzend (deiktisch) en vervangend (anaforisch). Deiktisch licht hij toe: “Die en dat, deze en dit kunnen dus gelijkwaardig zijn aan een wijzend gebaar of daarmee gepaard gaan.” (De Vooys 1967: 73 en 94-96). Diegene-4 is ook zo’n wijswoord.

 

Omdat dit diegene alleen in levend taalgebruik op straat, bij een receptie en dergelijke voorkomt en anderzijds het CGN ons hier geheel in de steek laat, is het niet eenvoudig om voldoende materiaal te verzamelen. Ik zou me daarvoor een tijdlang voor de tv moeten posteren om alle soaps tot me te nemen. Daar is het nog niet van gekomen; ik laat het graag aan anderen over. Ik behelp me nu maar met wat informatie van her en der en de incidentele gevallen bij Google waarbij je er bijna zeker van kunt zijn dat er een gesprek wordt weergegeven. Misschien is dit een voorbeeld:
– Ik staar ook heel vaak naar mensen hoor, dan denk ik van een afstand ‘Ken ik diegene ?’ En dan blijf ik staren om erachter te komen, haha. (G = Google) En deze:
– Vandaag kwam iemand naar mij toe en zei “Oh Sheikh ik was in Londen en ik ging naar de moskee en ik vraag om naar beneden te gaan en een persoon komt naar me toe en zei‘wie is diegene’?”

(G) bij een foto van een kind:
– Wie is dit en door wie is diegene gedoopt? (G)

 

Ook het voorbeeld bij Van den Toorn (1997: 502) lijkt erbij te horen:  Als je diegene ontmoet, weet je gewoon niet wat je moet doen.
In deze voorbeelden zien we uitsluitend diegene gebruiken. Die voorkeur ligt voor de hand omdat diegene dankzij die- een deiktisch woord is. In het oorspronkelijke woord degene was het tweede woorddeel het wijzende element. Die betekenis is gene kwijtgeraakt (behalve misschien in de combinatie deze en gene),  zodat nu het eerste woorddeel die deiktische betekenis moest overnemen: diegene. Binnen het woord zelf zijn de rollen nu dus omgekeerd.
Nog in de oude constellatie, lidwoord plus deiktisch woord, vinden we een vergelijkbare combinatie in de Nederlandse dialecten: de dees (mv, v), den dezen (m), de die (mv, v.), den diejen (m.): De dees (bijv. schoenen) zijn van mij / Van de die heb ik nog college gehad.
Weijnen (1966: 320) omschrijft het verspreidingsgebied van lidw + aanw. vnw. aldus: heel Zuid-Nederland, N.-Brabant, de Bommelerwaard, Zeeland en zuidelijk Holland.

 

Meer precies is de verspreiding te vinden in het materiaal uit de dynamische Syntactische Atlas van de Nederlandse dialecten (dynaSAND, Barbiers 2006), in zin 325: De die zou ik niet durven opeten. Het materiaal is in de periode 2000-2003 verzameld door middel van veldwerk. Er ligt dus een halve eeuw tussen Weijnens gegevens en deze. De SAND-gegevens heb ik gebruikt om bijgaand kaartje te tekenen. Het kaartje voegt wel wat toe, of neemt er wat vanaf. Met Zuid-Nederland suggereert Weijnen dat de die ook in Belgisch Limburg voorkomt, wat nu maar zeer ten dele het geval is.

 

Ook in het gesproken Algemene Nederlands van het CGN is dit de die niet afwezig. In Nederland 38 keer, in Vlaanderen meer, zoals te verwachten was, namelijk 60 keer. De die komt in Nederland, bij Algemeen Nederlands sprekenden, zelfs in meer regio’s voor dan bij dialectsprekers, o.a. ook in de Randstad en in Noord-Oost-Nederland. Ook in ouder Nederlands was de combinatie de die en de dees, naast de gene, nog heel gewoon. Ik vond in het WNT citaten uit De Harduyn, Bredero, Huygens, Wolff en Deken, Gezelle en niet te vergeten Cats:
“De dees is rijp en sijght ter neêr; De geen, noch groen, dient niet gepluckt”.

 

Blijkbaar voorziet de combinatie lidwoord plus aanwijzend woord in een behoefte. Van de deze en de die kan Duinhoven terecht vaststellen dat we die in het hedendaagse ABN niet kunnen gebruiken, ze zijn toch in het substandaard-Nederlands wel altijd aanwezig gebleven. Het aanwijzende voornaamwoord diegene/degene is waarschijnlijk ook nooit helemaal verdwenen, en als dat al het geval geweest is, dan is het nu weer terug, als wijzend naamwoord (Duinhoven 1988: 29).

 

de dieHet kaartje is getekend met behulp van het programma CARTO van Jan van Bakel

 

Er is wel vaker geponeerd dat geen taalverandering zomaar uit de lucht komt vallen. Altijd zit er in het systeem wel een element verborgen dat op zeker moment prominenter wordt. Soms hebben taalveranderingen ook het karakter van terug bij af. Dat zien we gebeuren bij het voornaamwoord diegene, dat in recent Nederlands een nieuwe gebruiksmogelijkheid vertoont die erg lijkt op een die dat woord eenmaal had en daarna kwijtgeraakt is. De vraag die Coppen (2000) over het nieuwe gebruik van degene stelt – “Is er wel sprake van recente taalverandering?” – moet dus ontkennend beantwoord worden.

 

BIBLIOGRAFIE
BARBIERS, S. ET AL (2006). Dynamische Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten (DynaSAND).
Amsterdam, Meertens Instituut. URL: http://www.meertens.knaw.nl/sand/.
DE BOER, MINNE G. (2001), Anaforisch degene. In: Nederlandse Taalkunde 6, 290-305.
COPPEN, PETER-ARNO (2000), Subject: Col: 0007.11: Linguïstisch Miniatuurtje LXVIII: Als iemand deze fout maakt dan is diegene een ezel. www.neder-l.nl.
DUINHOVEN, A.M. (1988), Middelnederlandse syntaxis, synchroon en diachroon; 1. De naamwoordgroep, Leiden, Martinus Nijhoff .
PHILIPPA, MARLIES (1993), Van woord tot woord: Diegene tevens knullen. In: Onze Taal 62, 300.
Van den Toorn, M.C. (1997), Nieuwnederlands (circa 1920-nu). In: Van den Toorn, M.C. e.a. (red.), Geschiedenis van de Nederlandse taal, Amsterdam University Press, blz. 479-562.
DE VOOYS, C.G.N. (1967), Nederlandse Spraakkunst, 7e druk, Groningen.
WEIJNEN, A.A. (1966), Nederlandse Dialectkunde. Assen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
jan_stroop RT @HumanitiesUU: Middelbaar onderwijs: besteed meer aandacht aan taalkunde! Marjo van Koppen en Jan Don @Neerlandistiek https://t.co/RbXw
23mreplyretweetfavorite
jan_stroop RT @Ned_Donovan: What an amazing photo https://t.co/7Re3pHlC5q
36mreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>