In Memoriam Jo Daan (1910-2006)

tekst uitgesproken tijdens de crematieplechtigheid, vrijdag 16 juni 2006 te Diepenveen

Ik ken Jo Daan vanaf 1966. Dat was ’t jaar waarin ze me aannam als wetenschappelijk medewerker op ’t Dialectenbureau. Van ’t sollicitatiegesprek op maandagochtend 10 januari herinner ik me niets meer. Maar wel een paar andere zaken die al meteen tekenend waren voor de persoon die Jo was. Ze zou in de zomer met een collega naar Amerika gaan om daar opnames te maken van nog Nederlands sprekende nakomelingen van emigranten. Die reis zou beginnen op een tijdstip dat viel vóór mijn indiensttreding op 15 augustus. Jo zou er dus niet zijn om me in te werken en de weg te wijzen. Daarom hadden we van te voren nog even een samenkomst in Amsterdam.

 

Omdat ik nog geen huis had, bood Jo me toen aan om van haar flat aan de Plesmanlaan gebruik te maken, voor de tijd dat ze in Amerika was. Ik nam dat graag aan en vroeg waar ik dan zou slapen: in mijn bed natuurlijk! Ik vond dat wel een beetje raar: in ’t bed gaan liggen van m’n baas, die me bovendien nog nauwelijks kende, maar voor Jo was ’t iets vanzelfsprekends. Dus zo geschiedde, waarmee ik, bij mijn weten, de enige man ben die die gunst of liever die ‘eer’ te beurt gevallen is.

 

Dat behulpzame en meelevende is een belangrijke karaktereigenschap van Jo geweest. Mijn gezin heeft er ook van geprofiteerd. Ze liep er trouwens niet mee te koop, maar ’t was er wel, ook tot verrassing van Maarten Koning de hoofdpersoon in de romanserie Het Bureau, die op een zeker moment hoort dat Dé Haan wél contact had gehouden met een oud-portier van ’t Instituut. CITAAT: ‘Hij veronderstelde dat ze zich verantwoordelijk had gevoeld en hij vond dat aardig. Het was een kant van haar die hij niet kende.’ (Deel 4, blz. 233).

 

Toen ik Jo op deze passage attendeerde, toonde ze geen interesse. Ze wist met dat hele Bureau niet goed raad. Ze had ’t gevoel dat dat heel vijandig was over haar en ook oneerlijk. Als je in ‘Dé Haan’ Jo Daan ziet heeft ze daar wel gelijk in. Gelukkig heeft ze publiekelijk haar gram kunnen halen in ’t programma van Hanneke Groenteman waar ze luid en duidelijk meedeelde dat ze nooit boeken las van iemand die ze niet mocht. Een buitengewoon slim excuus natuurlijk om Voskuils boeken niet te hoeven lezen.

 

Als hoofd van de afdeling Dialectologie heeft ze haar medewerkers alle vrijheid geboden die we maar wilden. In kneuterigheid deed die afdeling misschien niet onder voor Volkskunde, maar dat gedrevene en principiële kenden wij niet en van oeverloze discussies kan ik me niets herinneren. Vooral toen haar medewerkers nog uitsluitend van ’t mannelijk geslacht waren, voelde en gedroeg Jo zich vaak als een trotse moeder.

 

In haar pensioenperiode die nog ruim 30 jaar zou duren, is Jo volslagen gehecht geraakt aan de computer. Haar verknochtheid eraan maar ook ’t geworstel ermee zijn legendarisch. Verbazingwekkend dat iemand van haar generatie zou vertrouwd werd met dat apparaat en zijn mogelijkheden. Ik denk dat er honderden adressaten van haar mails in binnen- en buitenland zijn die daarvan kunnen getuigen. Welke 90-jarige verricht er nu zijn girobetalingen per Internet. Of begint er nog een website. Dat deed Jo Daan.

 

Haar computerproblemen probeerde ik dan wel eens te verhelpen, meestal zonder succes, ik heb een PC en Jo een Apple. Als ik ’t nog erger maakte dan ’t al was, was Jo niet mals met haar kritiek: “Jan, je moet er af blijven als je er geen verstand van hebt.”  Nooit meer die computer aangeraakt.

 

Jo was kritisch, maar ze zeurde of mopperde nooit al had ze daar alle reden toe. Als je vroeg: hoe gaat ‘t?,  was ‘t: BEST. Pas kortgeleden werd dat afgezwakt tot: REDELIJK. Wel stak af en toe de woede de kop op over de chirurgen die haar zo verkeerd behandeld hadden waardoor ze blijvend tot een rolstoel veroordeeld was. Ik kon die woede goed begrijpen omdat ik zelf ook zoiets had meegemaakt.

 

Ze vocht tegen haar ongemakken of liever ze negeerde ze. Ze bezocht congressen, lezingen en promoties, alsof ze niet gehandicapt was. Nog niet lang geleden vervulde ze met haar oppositie bij een promotie in Groningen in alle opzichten nog een glansrol. En wie herinnert zich uit begin 2004 niet haar korte monoloog in ’t tv-programma Buitenhof over goede manieren en integreren, met ’t historisch aandoende advies:  ‘Je hangt je pet of muts bij je jas in de gang. Als je een hoofddoekje draagt, hang je dus dat hoofddoekje bij je jas in de gang.’  Punt, uit.

 

Bij elk bezoek dat we brachten bleek hoezeer ze er naar uitgezien had en besloten had er iets van te maken. Dan had ze zich opgedoft en dan rook ze naar haar geliefde parfum Ma Griffe van Carven. Die lucht van Ma Griffe heb ik nu dus al 40 jaar lang in mijn neus. Toen er in dat hele Gelderland geen flesjes meer te krijgen waren, kon ik nog leveren dank zij parfumerie Marjo in de Damstraat te Amsterdam. Ik weet zeker dat als ik die geur weer tegenkom meteen ’t beeld van Jo voor mijn geestesoog zal verschijnen. Dat zal niet vaak meer gebeuren want de geur is uit de mode geraakt. Met Jo’s verscheiden zal dus ook haar geur wel volledig uit de markt verdwijnen.

 

Tot ’t laatst bleef Jo haar onvervangbare zelf. Op de dag vóór haar dood was ik nog bij haar. Ik vertelde toen dat ik maandag naar een promotie in Nijmegen moest. Ze zei dat ze graag meegewild had, maar dat kon niet (tussen haakjes niet omdat ze in zo’n slechte toestand verkeerde, dat besefte ze,  geloof ik niet.  ‘Bloed was goed, bloeddruk was OK’, zei ze me), nee, ze kon niet ‘omdat ze geen chauffeur kon krijgen.’

 

Later op die zaterdagmiddag 10 juni moest ze nog ijlings voor een foto naar de Röntgenafdeling. Ze werd in haar rolstoel voortgeduwd door een verpleegster die flink doorstapte. Ik liep erachter en kon met moeite bijhouden. ‘Niet zo hard rijden’, was Jo’s bevel. Maar een jonge energieke verpleegster kan zich niet lang beheersen en gaandeweg verhoogde ze ’t tempo weer, totdat er een nog nadrukkelijker bevel gehoord werd: ‘Ik zeg toch niet zo hard’.  Ik vond dat ‘kostelijk’, om Jo’s eigen woorden te gebruiken.

Zo zal en wil ik me Jo  ’t liefst herinneren, als een altijd bezige, soms bozige, hartelijke, gedecideerde, kritische, meelevende en behulpzame vrouw. En iedere keer zal ik dan heel even dat ouderwetse Ma Griffe-geurtje ruiken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
jan_stroop RT @LiesKoen: Ha, @fonolog over 60ste verjaardag van razend beroemde zin. Maar jee, 60=2x30. Bij 30ste verjaardag schreef ik dit: https://t…
2hreplyretweetfavorite
jan_stroop RT @onzetaal: #taaltip 'Ronde cirkel' is een pleonasme, 'vast en zeker' een tautologie. Meer over deze stijlfiguren: https://t.co/P9aiGBsEMi
2hreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>