38. Koolmees

Spaans: carbonero común; Portugees: chapim-carvoeiro; Frans: charbonnière; Kroatisch: velika sjenica; Turks: büyük baştankara; Arabisch: القرقف الكبير; Perzisch:  چرخ‌ریسک بزرگ

 

Uit de Tuinkrant van Volkstuinvereniging ‘Nut en Genoegen’,  Zaandam,  oktober 2020.

 

 

 

 

Bij de Zaanse vogeltelling in 2013 stond de koolmees op plaats drie (1.067), achter de huismus (een: 2.144) en de spreeuw (twee: 1.659). Ik moet zeggen dat op mijn persoonlijke lijst de koolmees boven de huismus staat.  Hoe ’t tegenwoordig, in 2020, gesteld is, weet ik niet, wel weet ik dat in mijn burgertuin de koolmees nog steeds op plaats 1 staat.  Mussen zie ik juist zelden.

 

De namen die de koolmees in Nederland heeft, vertellen allerlei over zijn uiterlijk, ’t geluid dat ie maakt en zijn gedrag.  Dat zwarte kopje is in veel talen de inspiratie geweest voor z’n naam. Koolmees is daar een bekend voorbeeld van. Dat kool verwijst natuurlijk naar ’t zwarte houtskool. Dat zit ook in de Spaans, Portugese en Franse namen want dat carbonero resp. carvoeiro  resp. charbonnière betekent ook houtskool. We herkennen dat ook in karbonade.

Er is nog een Nederlands woord, brandmees, dat verwijst naar verbrande kool. ’t Komt in Limburg voor maar als Brandmeiss ook in Duitsland.

 

Nog een naam die met ’t uiterlijk van de koolmees verband houdt is plakker, dat vroeger plakkaard en dat de gevlekte, vanwege zijn veelkleurigheid. Schijnt in de omstreken van Haarlem bekend te zijn (geweest). Of moeten we  bij plakker denken aan ‘t vermogen van de koolmees om zich in de gekste posities overal aan vast te klampen,  bijvoorbeeld aan opgehangen vetbolletjes?

 

Een ander benamingsmotief is ’t geluid dat de koolmees maakt. Zo’n vogelgeluid vertalen in klanken uit een taal is altijd heel subjectieve aangelegenheid. Een mooi voorbeeld is ’t geluid van de haan. In Nederland zeggen we kukeleku, maar de Fransen horen cocorico. ’t Geluid van de koolmees wordt nu eens als tie-tie-ta omschrijven, anderen horen weer si si sirrr. Hoe dan ook, vanwege z’n geluid heet ie in de Achterhoek schiet in ’t vuur.

 

In mijn geboortestreek wordt ie biediefke (‘bijendief’) genoemd, omdat ie bijen eet.  Hij gaat daarvoor bij de ingang van een bijenkorf of bijebkast z’n kans af zitten wachten. Hij geneert zich niet om met z’n snavel op de bijenkast te tikken om  de bijen naar buiten te lokken met als gevolg dat die opgegeten worden.   Combinaties met ‘bij’ komen veel voor in Noord-Brabant en Limburg: bijmees, bijpikker, bijteut, enz.

 

Omdat koolmezen van kaas (schijnen te) houden, worden ze in Limburg keesmezen of kèèsmezen genoemd.  In Vlaanderen luidt de vorm keizemees en dat zou dan weer een nabootsing van z’n geluid zijn.

 

Op de website Platform aan de Zaan las ik dat koolmezen ook nuttig kunnen zijn bij de bestrijding van rupsen: “Één nestje Koolmezen dringt de rupsen terug”. Hoe dat in de praktijk werkt, stond er niet bij. Hoe kom je zo gauw aan een nestje koolmezen?

 

In Noord-Holland is koolmees de gangbare benaming. Ik heb nog wel een paar plaatsen gevonden waar geelborstje gezegd wordt, in de buurt van Alkmaar. Ook kwam ik nog een interessant Hollands gegeven tegen in ‘t Woordenboek van Hadrianus Junius uit Hoorn, Nomenclator (1567). Junius schrijft, nogal willekeurig, over van alles wat van een bepaald begrip weet. Onder de Latijnse naam voor koolmees, Parus maior (‘grote mees’), geeft ie namen uit zeven talen.

 

 

De letter B. staat voor Belgice, wat hier ‘Nederlands’ betekent en dit is wat ie van de koolmees schrijft:
“Coolmese/ plackaert proprie dicitur masculus, et hyken Holland. at femella suytken”, JUNIUS, Nomencl. 47 b. Ik vertaal dat:
‘Koolmees, plakkaard, zo wordt eigenlijk ’t mannetje genoemd, en hyken in Holland, ’t vrouwtje suytken’.

 

Dat hyken, uitsproken als hieken denk ik, is ’t zelfstandige naamwoord hij, dat we kennen in een formulering als: ’t is een hij (‘man’). Hijken is er ’t verkleinwoord van. De tegenhanger is ’t is een zij (‘vrouw’). Suytken (spreek uit zuutke) is ontstaan in een dialect waar zij als zuu wordt uitgesproken. Ik vond nog een leuk citaat bij de Friese dominee Sprankhuisen (1634): “Ick zie dat onder de kleyne Meeskens, elck Hyken zyn Syken vindt”.

Op onderstaand kaartje uit de nalatenschap van  Jac. van Ginneken blijkt dat dat zu (in ca. 1925)  gezegd werd  in de Hoekse Waard en in Overijssel (Rouveen).

 

Bron: Kruijsen, Joep en Nicoline van der Sijs (samenstellers) (2016), Meertens Kaartenbank, op www.meertens.knaw.nl/kaartenbank/; eerste versie gelanceerd in 2014

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
It seems that widget parameters haven't been configured properly. Please make sure that you are using a valid twitter username or query, and that you have inserted the correct authentication keys. Detailed instructions are written on the widget settings page.
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>