Woordmetathesis*) over sinaasappel/appelsien e.d.

Eerder verschenen in Taal en Tongval (jrg. 47 (1995), blz. 205-219

Wie van de ober een pannekoek met appelmoes wil, maar per ongeluk koekepan en moesappel zegt, krijgt iets anders op zijn bord dan hij bedoelt. Dat komt door het simpele feit dat bij Nederlandse samenstellingen het rechter lid het ‘hoofd’ is, het linker deel de bepaling. Het is bekend dat de betekenisrelatie tussen de twee delen van een samenstelling heel verschillend kan zijn, maar de hiërarchie is onveranderlijk: links bijzaak, rechts hoofdzaak. De beklemtoning van een samenstelling geeft aan die verhouding op in zekere zin paradoxale wijze vorm: de klemtoon ligt steeds op het linkerdeel. De ANS (100) zegt, nadat eerst is vastgesteld dat bij een samengesteld substantief het bepalende lid voorop staat: Het bepalende lid van de samenstelling krijgt gewoonlijk het woordaccent. De aldaar gegeven composita illustreren dat: melkchocolade, chocolademelk, frisdrank, leeszaal.

In dit artikel wil ik aandacht vragen voor een groep samenstellingen waarbij de beschreven wetmatigheid niet zonder meer aanwezig geacht kan worden. Samenstellingen waarbij de leden omgewisseld (kunnen) worden, zonder dat dat – anders dan bij pannekoek – betekenisverandering tot gevolg heeft; type oogschroef : schroefoog, waarbij deze laatste, Groningse, vorm, volgens De Vries wel ‘omdraaiing’ zal zijn van de eerste (W. de Vries zj: 17). Ze lijken nog het meest op de zgn. copulatieve samenstellingen, waarbij er een identiteitsverhouding bestaat tussen de beide leden: getuige-deskundigemoedermaagdprins-gemaal (ANS 104), maar verschillen van deze laatste groep, die immers geen omwisseling van de leden toelaat.

De composita waar het mij om gaat, verschijnen in het Nederlands in ruime zin. Dat wil zeggen dat de twee vormen, de oorspronkelijke en die waarbij de twee delen zijn omgewisseld, zelden beide in eenzelfde variëteit van het Nederlands voorkomen, zeg de Standaardtaal, maar wel binnen het Nederlandse taalgebied.
 

Veel is er niet over geschreven, en recentelijk – bij mijn weten – al helemaal niet. In publicaties over het (Standaard-) Nederlands ontbreken ze geheel, waarschijnlijk omdat men er van uit gaat, dat alleen sinaasappel Standaardtaal is, en appelsien dialect of zo. Wie op zoek gaat naar meer voorbeelden heeft dan ook heel wat bladerwerk voor de boeg, tenzij zijn geheugen of bevriende geïnteresseerde collega’s de helpende hand bieden. 
 

Om alvast enige systematiek in mijn verzameling te brengen, maak ik de volgende voorlopige indeling, die voor een deel ook wel berust op knopen doorhakken:
I. Ongemotiveerde metathesis
II.Gemotiveerde metathesis
a. vanwege de vorm
b. vanwege de betekenis
c. vanwege vorm en betekenis

 

I. Ongemotiveerde metathesis

In het Nederlands en zijn dialecten komen samenstellingen voor die bestaan uit een combinatie van min of meer gelijkwaardige delen, in elk geval combinaties waarbij niet het ene deel als een bepaling bij het andere gevoeld hoeft te worden, zoals dat bijv. bij frisdrank wel het geval is; schroefoog/oogschroef is een mooi voorbeeld van dit type, want gaat het hier om een schroef met een oog of om een oog dat geschroefd kan worden? 
  

Die gelijkwaardigheid is overigens niet altijd even gemakkelijk te definiëren, maar lijkt toch wel aanwezig in: varkensegel – egelvarken ‘egel’ (Taalatlas I, 10) (combinatie van twee diernamen). De eerste benaming komt het minst voor, vrijwel alleen in Noord-Limburg. Op dezelfde taalkaart nog zo’n paar: zwieniegel – iegelzwien, maar nu is de eerste vorm juist de meeste frequente; hij beslaat zowat de hele provincie Groningen. Toch is het de vraag of hij daarmee ook de oudste van de twee is. Heeroma (1954, 35) legt de prioriteit juist bij iegelzwien en beschouwt zwieniegel als secundair ‘aangezien dit omringd wordt door iegelbaerchiegelzwien en iegelkoar.’ Hij maakt ook aannemelijk dat het woord egel een relatief jong woord is in Groningen en dat het voorafgegaan werd door stekel dat in samenstellingen altijd op de eerste plaats stond. Egel heeft het van die plaats verdrongen. En dus moeten varkensegel en zwieniegel het resultaat zijn van woordmetathesis. De gelijkwaardigheid heeft, zoals blijkt, ook te maken met de identieke categorialiteit van beide delen; het gaat steeds om twee substantieven.

Nog zo’n voorbeeld is berebarg – bargebeer ‘gesneden mannelijk varken’ (Taalatlas II, 14). Het simplex beer is ‘mannelijk varken’, barg is gesneden mannelijk varken. De combinatie betekent dus zoveel als: een beer die nu barg is, of een barg die vroeger beer was.

Meer problemen geeft de verklaring van het Groningse motstain uit stainmot ‘keldermot’ (Taalatlas, I, 3). De oorzaak van deze omzetting is namelijk niet aan te wijzen: in feite is er geen sprake van semantische ‘gelijkwaardigheid’: mot is in Groningen en ook elders de algemene naam voor een zeug, een varken dus, stain is gewoon ‘steen’ en dus betekent de eerste vorm ‘varken dat onder stenen zit’. Kloeke (1938, 113) weet ook alleen te wijzen op Groningse parallellen als wijdwagen en schroefoog. Overigens komt motstain maar in twee plaatsen voor, maar het is anderzijds al minstens 200 jaar oud (Kloeke 1938, 113).
  

De gelijkwaardigheid die metathesis mogelijk maakte (maar daarmee nog niet motiveert!), is er weer wel in koolraap dat raapkool naast zich heeft (‘Brassica napus, koolzaad’; Heukels 42); preilook naast lookprei (‘Allium Porrum, prei’; Heukels 13); hennepnetel naast netelhennep ‘Galeopsis L. (Heukels 108); besheide naast heibes (‘Empetrum Tourn., kraaiheide’; Heukels 90); puingras naast graspuin ‘Triticum repens, kweek’ (Zeeland: Frankischer Sprachatlas door J. Goossens, kaart nr. 7 en Woordenboek der Zeeuwse Dialecten, resp.702 en 284). ‘Gelijkwaardigheid’ is hier bedoeld in semantische zin en heeft betrekking op elk van de beide delen afzonderlijk. De keuze voor koolraap danwel raapkool impliceert immers – gegeven de Nederlandse verhoudingen binnen samenstellingen, dat het woord dat rechts geplaatst is, het belangrijkste gevonden is.  
  

Sapsieder (of: sapsieper) – siepsapper (Woordenboek der Zeeuwse Dialecten, 816); ‘gedroogde en geraspte schapekaas’.  Het is de vraag of we hier met een samenstelling te doen hebben. De omzetting tot siepsapper kan verband houden met de neiging in het Nederlands om bij klankschilderende woorden of woorden met een herhalingspatroon zonder duidelijke etymologie, het deel met de ‘voorklinker’ voorop te laten gaan: vgl. tiktakmikmakliflafjezigzag, enz..  
  

Koppespin – spinnekop (Woordenboek der Zeeuwse Dialecten, 479); ‘spin’, maar ook het ‘web’. Hoewel dit woordpaar de indruk maakt volledig aan te sluiten bij de tot nu toe besproken gevallen, is er toch een verschil, zozeer dat het de vraag is of we hier wel met woordmetathesis te maken hebben. Als we afgaan op de verklaringen van Blancquaert en Pée (1933, 371), is het woorddeel spin vanouds de naam voor het beestje; het woord was al in het Middelnederlands overal bekend. Daarnaast bestond kop(pe) in de betekenis ‘web’. Op den duur werd dit kop(pe), maar niet overal, de naam voor de spin zelf, net als dat gebeurd is in het Frans, Grieks en Latijn, aldus nog steeds B/P. Elders ontstond de samenstelling spinnekop met de te verwachten betekenis ‘spinneweb’, met links de specificatie en rechts het ‘hoofd’, een normale combinatie dus. Vervolgens is ook deze samengestelde benaming overgegaan op de spin. In Zeeland en enkele andere gebieden verschijnt een nieuwe samenstelling koppespin die betekent ‘spinster van koppen’. Als het inderdaad zo gegaan is, is er natuurlijk geen metathesis geweest, maar hebben zich twee verschillende ontwikkelingen voorgedaan.
  

De twee moederbenamingen, moerkonijn – konijnemoer ‘vrouwelijk konijn’ (Taalatlas II, 6) en schapemoer – moederschaap ‘vrouwelijk schaap’ (id. III, 3), en andere, vragen weer een andere uitleg. Als we ze op hun grammaticale eigenschappen bekijken, blijken moerkonijn en moerschaap formaties met het karakter van bepaling + kern te zijn, terwijl de tegenhangers gezien kunnen worden als samenstellingen; vgl. konijnejong. Als deze vormen een gevolg zijn van een verschillende interpretatie van de verhouding van de delen, is de betekenis het motief geweest voor de omzetting. Maar zoiets valt moeilijk uit te maken.

 

IIa. Gemotiveerde metathesis vanwege de vorm

Er is een voorbeeld van een metathesis waarbij tegelijkertijd een transpositie in het spel is. Deze gecombineerde operatie treffen we gelijkelijk aan in het Afrikaans en Nederlands. Lendelam was oorspronkelijk een samengesteld substantief, aangezien lam toen ook substantief was, vergelijkbaar met pijn in kiespijn. Het woord betekende zoveel als een ‘verlamming in de streek der lenden’. Een volgende stap was dat lendelam als een predicatief adjectief gebruikt kon worden: ‘Mijn armen hangen niet lendenlam bij het lijf’ (Potgieter); vgl. vleugellam. Van dan af wordt onduidelijk tot welke categorie lam wel mag behoren. Op den duur heeft het woord zijn status van substantief verloren, waardoor lam in lendelam nog uitsluitend als adjectief gevoeld werd, een achtergeplaatst adjectief. Tegelijk heeft het woord een figuurlijke betekenis gekregen. Bij de afleiding met -ig is lam tenslotte op de juiste plaats terecht gekomen, nl. vóór het substantief: lamlendig, waardoor het zich aansloot bij soortgelijke formaties als kortademigkaalhoofdig.
  

Zo niet in het Afrikaans. De Afrikaanse Taalatlas (afl. 14, nr. 66) geeft in totaal maar tweemaal lamlendig tegenover een massa opgaven lendelamlindelamliddelam, enz. Deze laatste zijn natuurlijk ook daar de oudste vormen. Ze hebben in het Afrikaans overigens een concrete betekenis bewaard, maar dan vooral toegepast op levenloze zaken, getuige het feit dat daar van een stoel die niet stevig meer is, gezegd wordt dat hij lendelam is en de opmerking dienaangaande in de Afrikaanse Taalatlas (afl. 14, blz. 26). Overigens kent het Afrikaans lamlendig ook volop, maar dan in overdrachtelijke zin, als in het Nederlands. Deze beide gegevens, de metathesis en deze identieke betekeniswijziging in figuurlijke zin, doen vermoeden dat dit lamlendig een ontlening uit het Nederlands is.

 

IIb. Metathesis vanwege de betekenis

De eerste keer dat mijn aandacht getrokken werd door het verschijnsel dat ik ‘woordmetathesis’ genoemd heb, was, toen ik me bezighield met de namen voor de paardebloem; Stroop 1969. De Franse naam pissenlit bleek in het Nederlands ontleend en ‘vertaald’ te zijn, met als resultaat pissebed. In een aantal plaatsen heeft deze vorm metathesis ondergaan plus een morfologische karakterisering: beddepisser. Daarbij moet een soort rationalisering in het spel geweest zijn, die de samenstelling op Nederlandse wijze interpreteerde: er is hier immers op pijnlijke wijze sprake van een ‘agens’, iemand die na het eten van paardebloemsla in bed plast, en in het Nederlands wordt zo iemand aangeduid door een afleiding van de werkwoordstam + -er. Er is ook nog een vergroofde vorm, beddezeiker, maar dat is alleen zijdelings een kwestie van taalkunde. De oudste vorm, pissenlit/pissebed, is op te vatten als een syntagmatische eenheid, die gebruikt werd om een plant aan te duiden waarvan consumptie iemand kon maken tot iemand ‘qui pisse en lit’ of – andere mogelijkheid – de oorzaak was van ‘pis en lit’. 
  

Er bestaat nog een woord/begrip met een soortgelijke woordgeschiedenis, de keldermot of pissebed. Dit insect heet in sommige streken pissebed, maar in andere beddepisser. Eerst de etymologie van deze nummer twee. Volgens De Vries/de Tollenaere (284) gold dit diertje in de volksgeneeskunde, net als de paardebloem, als pisafdrijvend. Ook Kloeke (1938: 120) schijnt deze mening te zijn toegedaan (of hebben de vorige auteurs het van hem overgenomen?). Als deze verklaring juist is, zijn we klaar. Want ook de ontstaansgeschiedenis is in dit geval hetzelfde: er bestaat namelijk ook een Frans woord pissenlit voor het insect. Ons pissebed voor de keldermot kan dus weer een leenvertaling zijn. Wel moet opgemerkt worden dat de verspreidingsgebieden van beide woorden beddepisser niet samenvallen, eerder complementair zijn; vgl. Taalatlas I, 3 en IX, 4. In de betekenis ‘keldermot’ komt beddepisser voor in Noord-Holland, als ‘paardebloem’ is het woord bekend in Zeeland en West-Vlaanderen. Of de metathesis zich in deze gebieden ook bij het ‘andere’ woord voltrokken zou hebben, is niet na te gaan, omdat het woord er niet voorkomt.
  

Het is misschien geen toeval dat ook bij de benamingen voor de ‘mier’ een omzetting heeft plaatsgevonden, gezien de aanwezigheid ook daar van het werkwoord voor ‘urineren’. Naast elkaar, in geografisch opzicht, komen voor: zeikmier en mierzeiker (mededeling Georges de Schutter), met in West-Noord-Brabant een (hypercorrecte?) geronde variant muurzeiker, die ik zelf nog ken. Het is voor sommige taalgebruikers toch een soort genoegen om krasse taal te gebruiken en naar mijn smaak heeft het nomen agentis -zeiker daar net iets meer van dan de stam van het werkwoord.
  

Ook het Afrikaans kent het verschijnsel woordmetathesis, en nog wel bij soortgelijke woorden, getuige o.a. oogpister dat uit pisoog ontstaan moet zijn. Het is de naam voor het insect Anthia, dat een gif spuit dat in het oog uiterst pijnlijk is. De morfologie van deze woorden heeft nog een vervolg, want behalve genoemde twee vormen, bestaan ook pisoogster (een soort analogie van een nomen agentis), en zelfs pigooster, dat wel een bijzonder grillig metathesisgedrag vertoont. Dit alles in de Afrikaanse Taalatlas afl. 15, nr. 72. Iets dergelijks heeft Kloeke aangetroffen bij de keldermot: pissebedder (Kloeke 1938, 113). 
  

Bij woorden als schijt(e)broek, waaghals, brekebeen, kijkpisse spreekt De Vooys (188) van tot één woord gecomprimeerde zinnen waarvan het eerste, verbale deel gevolgd wordt door een object of een adverbium. Naast schijt(e)broek komt ook voor broekschijter (resp. Woordenboek der Zeeuwse Dialecten, 835, WNT XIV, 634 en WNT III, 1477). Aangezien naast schijt(e)broek vergelijkbare vormen als schijtbeen (WNT XIV, 633) en schijthiel (id., 635) bestaan, die geen omgekeerde vorm kennen, zal schijt(e)broek ouder zijn dan broekschijter, maar daarmee is niet gezegd dat hier sprake is van metathesis. Indien er wel omzetting en niet nieuwvorming heeft plaatsgehad, zou men kunnen aannemen dat in woorden als schijt(e)broek), kijkpisse de klemtoon aanvankelijk natuurlijk, net als in de zin, gelegen heeft op het tweede deel. Deze ‘on-Nederlandse’ formatie kon op twee manieren gecorrigeerd worden, namelijk door de klemtoon te verplaatsen naar het eerste deel, beluister waaghals, of door omzetting, zie broekschijter, piskijker en beddepisser.
  

Tot deze categorie van betwijfelde ‘syntactische’ metathesisgevallen kan ook gerekend worden neusjeprik – prikneuzen, een plant, namelijk Borago off. (Woordenboek der Zeeuwse Dialecten, 751). Eventueel ook pikkenhaan – hanepik (idem, resp. 717 en 302), al lijken de betekenissen van de twee vormen niet helemaal gelijk. Het eerste woord betekent (figuurlijk) namelijk ‘kemphaan’, het tweede ‘haantje de voorste’. Een apart geval is nog spekskebraoi dat Weijnen (1966, 330) kent uit Noord-Brabant en dat een gebraden stukje spek betekent.
  

In De Schutter 1991 worden naast andere benamingen voor pijn aan een bepaald lichaamsdeel, twee heteroniemen met elkaar vergeleken waarbij op het eerste gezicht een soortgelijke woordmetathesis verondersteld zou kunnen worden: pijn in de buik tegenover buikpijn. De eerste variant is een analytische, de tweede is synthetisch. Toch ontbreekt er een belangrijke voorwaarde om hier van metathesis te kunnen spreken, nl. de identiciteit van de beide delen; vgl. oogschroef met schroefoog
  

Of die identiciteit er bij vormen als broekschijter, piskijker is, is nog de vraag. Er zijn evenzeer argumenten aan te voeren voor de opvatting dat dit woord naar het voorbeeld van soortgelijke woorden gevormd is, terwijl schijtebroek dan weer zijn eigen verhaal heeft. Waarschijnlijk zijn ook vormen als uitkijk, kijkuit, aanpak, pakaan op eigen gelegenheid en zonder metathesis ontstaan; zeker lijkt me dat te gelden voor afkomst en komaf.
  

Terug naar meer duidelijke gevallen van ‘metathesis vanwege de betekenis’. De metathesis bij enkele woorden houdt verband met een herinterpretatie van de betekenis. Nemen we aderspat als voorbeeld. Dit woord is samengesteld met spat in de algemene betekenis van ‘verharde plek’ en het specificerende ader. Er zijn immers nog tal van andere soorten spat. Het simplex spat is intussen minder gebruikelijk geworden, waardoor de structuur van aderspat, te weten dat er een bepaald soort ‘spat’ mee wordt aangeduid, niet meer begrepen werd. Gevolg is een metathesis waardoor een nieuwe herkenbare structuur ontstaat. Ader is nu het algemene woord, spat geeft een bepaald type ‘ader’ aan: aderspat > spatader (WNT I, 813 en WNT XIV, 2616). Hier is dus sprake van een vormaanpassing na een herinterpretatie van de betekenis.
  

meekrap – krapmee (Heukels 215) zijn namen voor de meekrapplant (Rubia tinctorum), waarvan de wortels een rode kleurstof leveren. Vooral in Zeeland werd de plant tot ver in de vorige eeuw veel verbouwd. De oudste naam lijkt me meekrap, die letterlijk betekent ‘de krappe van de mee’. Krap(pe) is de Zeeuwse naam voor ‘tros, druiventros’. De wortelstokken van de mee, die het belangrijkst zijn, zijn trosvormig (Woordenboek der Zeeuwse Dialecten, 493 en 575). In streken waar het simplex krap onbekend is, kon een omzetting plaatsvinden, vergelijkbaar met die in aderspat.
  

Tot deze categorie woorden waarbij herinterpretatie of ‘bezinning’ geleid heeft tot woordmetathesis, reken ik ook: broekhannek – anniebroek voor ‘Vlaamse gaai’ (Taalatlas, VI, 5), beide voorkomend in Noord-Brabant. Het eerste deel in de eerste vorm, broek, lijkt in tegenstelling tot het tweede deel, een begrijpbaar woord. En aangezien in een Nederlandse samenstelling het algemene, dus meest bekende deel per definitie op de tweede plaats komt, vond hier, bij dit woord en in West-Noord-Brabant, omzetting tot anniebroek plaats.

 

IIc. Metathesis vanwege vorm en betekenis

Tot deze categorie behoren om te beginnen een aantal aan het Frans ontleende namen van exotische vruchten. Allereerst de ‘sinaasappel’. De oorspronkelijk Franse naam pomme de Sine komt in het Nederlands o.a. voor als appel Chinaas (1685); Appel-Sina (1692); applecien (1798). Vrijwel gelijktijdig verschijnen de metathesisvormen chinas-appel (1682); sinaas-appel (1693); in Westvlaamse dialecten nog steeds ook sienappel (De Tollenaere 63 en 332, maar vooral Hogerheijde 1979). De naam houdt verband met de (vermeende) herkomst van de vrucht. Het feit dat beide vormen bij de huidige stand van het bronnenonderzoek ongeveer in dezelfde periode voor het eerst geattesteerd zijn, laat natuurlijk geen conclusie toe met betrekking tot hun onderlinge chronologie. Maar dat appel-sina een directe vertaling is van de Franse benaming, terwijl naast sinaasappel geen Franse vorm staat, zegt genoeg over wat er eerst was. Trouwens, alle volgende gevallen zijn feitelijk illustraties van dezelfde ontwikkeling.
  

Zoals het geval ‘granaatappel’. In het Italiaans geheten pomo granato, Frans (12e eeuw) pume grenate, Engels pomegranate en Middelnederlands tenslotte appel-garnate naast appel van garnate (WNT V, 562). Van later datum is de oudste attestatie van de omzetting (16e eeuw): granaetappelen (WNT V, 565). De naam is afgeleid van Latijn granum ‘korrel’ en verwijst naar de vele zaadjes die de vrucht bevat. Hier is het leeftijdsverschil aanmerkelijk groter dan bij sinaasappel. En de volgorde van de twee vormen is zoals te verwachten: het oudst is appel-garnate, minstens een eeuw later lezen we granaetappelen.
  

Nog een leenvertaling uit het Frans is nootmuskaat van noix de muscade of noiz muscate (WNT IX, 2186). De omgekeerde Nederlandse volgorde muskaatnoot is (alweer) van jonger datum (Kiliaan geeft overigens beide vormen; WNT IX, 1270) en dus weer een metathesisproduct. Mij zijn van de oudste Nederlandse vormen twee uitspraakvarianten bekend: nootmuskaat en nootmuskaat, waarbij de eerste een aanpassing aan de Nederlandse klemtoonregel is, luidende ‘de klemtoon valt op het specificerende (eerste) deel’. Uit de antwoorden op Vragenlijst 54, vraag 21 van het P.J. Meertens-Instituut is op te maken dat er in sommige dialecten van de twee varianten van de naam gebruik gemaakt is voor betekenisdifferentiatie: als men benamingsonderscheid maakt tussen het ‘poeder dat door raspen van het nootje ontstaat’ en de ‘noot’ zelf, dan heet het eerste nootmuskaat, het tweede muskaatnoot, nooit andersom. Als dat onderscheid niet wordt gemaakt, dan heten noot en poeder beide nootmuskaat. Natuurlijk is er alleen voor zover nootmuskaat en muskaatnoot hetzelfde betekenen, nl. de noot, sprake van woordmetathesis.
  

De metathesis in deze gevallen, appelsinas > sinaasappel en appelgranaat > granaatappel en nootmuskaat > muskaatnoot vindt zijn oorzaak in het verschil in structuur tussen dit soort samenstellingen in Romaanse talen en een Germaanse taal als het Nederlands. In de eerste volgt de specificatie op het hoofd van de samenstelling, in het Nederlands gaat de specificatie voorop. De taalgebruiker die zo’n Romaans woord leert kennen, blijkt dat op de juiste wijze te interpreteren, daarbij geholpen door de klemtoon van de samenstelling: de hoofdklemtoon ligt ook in het Frans (Romaans) op de specificatie. En net zoals bij ontlening van woorden fonemen aangepast worden aan die van het Nederlands, of zelfs vervangen worden, kan dat ook gebeuren met de structuur van een ontleende samenstelling: het beklemtoonde deel dat als specificatie ervaren werd, werd voorop geplaatst. En zo werd in een groot deel van het Nederlandse taalgebied, nl. het gebied ten noorden van de rivieren, appelsienas tot sinaasappel, en in West- en Oost-Vlaanderen appelsien tot sienappel (Hogerheijde 302). Hetzelfde bij appelgranaat dat werd tot granaatappel, en nootmuskaat dat veranderde in muskaatnoot. In al deze gevallen heeft de beklemtoning de doorslaggevende rol gespeeld. 
  

In tegenstelling tot wat in de ANS en elders wordt gesuggereerd hebben Nederlandse samenstellingen niet altijd de klemtoon op het eerste, specificerende deel. Van den Berg besteedt als een van de weinigen (? of als enige?) in zijn Foniek van het Nederlands aandacht aan woorden van het type: rookvlees, stadhuis, e.a. (o.a. veel straat- en pleinnamen in Amsterdam: Surinameplein en elders?), die de klemtoon hebben op het hoofd van de samenstelling. Van den Berg (1972, 91-93) spreekt hier van finaal eenheidsaccent. De genoemde woorden onderscheiden er zich mee van bijv. pekelvleeszomerhuis. Het is nu ook duidelijk waarom de beklemtoning van appelsien, van heel andere aard is: rookvlees blijft vlees en een stadhuis blijft een huis. Maar een appelsien is geen sien.
  

Ook bij de combinaties met vogel, waarvan struisvogel de bekendste is, neem ik aan dat in de oorspronkelijke vorm, vogelstruis, het tweede deel, dat tevens de hoofdklemtoon droeg, als de specificatie werd opgevat. Deze gemotiveerde opvatting kon of moest vervolgens tot metathesis leiden. 
  

Ik verschil hier van mening met Van Bakel (1969, 75) en ook anderen die struisvogel rekenen bij de groep ‘verduidelijkende’ samenstellingen: walvis, damhert, muilezel, tortelduif, struisvogel (het tweede deel noemt het geslacht, het hele woord de soort). De visie van De Vooys op het ontstaan van dit type samenstelling is hoogst merkwaardig: het tweede deel zou als soortaanduidend woord zijn toegevoegd, vaak omdat het eerste verouderd was (De Vooys 180). Hoe zou een woord kunnen verouderen als het begrip nog volop bekend is? En waarom is het Engelse whale dan een simplex gebleven? En wat te denken van eendvogel naast eend, en visserman, jagersman, weduwvrouw? Een woord verdwijnt pas als het begrip (de zaak) verdwijnt of als er een nieuwe naam opkomt. Met andere woorden achter de vorming van walvis e.d. moet een ander mechanisme schuil gaan.
  

Hoewel struisvogel op het eerste gezicht ook bij deze groep hoort, blijkt bij een tweede inspectie, die oplevert dat de oudste vorm vogelstruis geweest is, dat er een opvallend verschil bestaat met walvis en consorten (WNT resp. XXII, 581 en XVI, 236). Van deze groep woorden is er maar één vorm; er is geen variant viswal, hertdam, duiftortel, enz. Alleen bij vogel bestaan alle twee de varianten, waarbij de volgorde vogel + specificatie ook nog eens de oudste is.
  

Bij dit type kan de ontwikkeling ongeveer op dezelfde manier gegaan zijn als bij pissebed e.a.. Vogelstruis is een vertaling van avis struthio, een Romaanse combinatie met zoals in die taalfamilie gebruikelijk het bepaalde (met de bijbehorende klemtoon) op de tweede plaats. Het modern-Franse autruche is uit ouder ostruce, dat weer teruggaat op dat avis struthio. Ook voor wie geen Frans kent, is het duidelijk dat vogel het algemene is en struis de specificatie. De taal(-gebruiker) kan dat accepteren, maar het is ook denkbaar dat er metathesis optreedt om de vorm aan de Nederlandse verhoudingen aan te passen: de specificatie, ofwel het beklemtoonde deel voorop. 
  

De oudste vorm bij een andere naam uit deze groep is vogelgrijp (WNT V, 732). Het is de benaming van een mythologische vogel, half leeuw, half vogel, ook als griffioen bekend. Dit is de Romaanse naam uit het Latijnse gryphus of gryps (met een tweede naamval gryphis). De oudste Nederlandse naam is het simplex grijp, dat naar men zegt uit de Latijnse naam is, of wellicht een ouder Germaans woord voortzet, dat met het Latijnse is samengevallen. Kiliaan geeft beide varianten van de samenstelling: vogelgrijp (WNT V, 732) en grijpvogel (WNT V, 743). Dan is er nog vogelkraan > kraanvogel (WNT resp. XXII, 539 en VIII, 29).
  

Ook al is er bij enkele geen Frans voorbeeld aan te nemen, de uitspraak van de analoge vormen zal wel steeds de hoofdklemtoon op het tweede woord gelegd hebben, omdat dat nu eenmaal het specificerende deel is. Dat aangenomen hebbende, kan men gemakkelijk inzien dat die een gerede aanleiding tot metathesis geweest is. Opmerkelijk is verder dat het specificerende woord steeds maar één lettergreep heeft, maar of dat er iets mee te maken heeft, weet ik niet. Ook dat het hier (bijna) steeds gaat om min of meer uitheemse vogels.
  

De combinatie vogel + een specificatie heeft niet altijd geleid tot omzetting. Bij de volgende namen is dat in elk geval niet gebeurd: vogelgier (WNT XXII, 530), vogelhein (WNT XXII, 532) en vogelkop (: ook een soort vogel) (WNT XXII, 538).
  

Een geval apart is de naam van het spel vogelpiek, waarvan in Zeeland ook de variant piekvogel voorkomt (Woordenboek der Zeeuwse Dialecten, resp. 1065 en 710); dit is de oude naam voor het werpspel met gevleugelde pijltjes, dat tegenwoordig darts genoemd wordt. Ik ken de oude naam ook uit West-Brabant: vogelpik
  

Naar aanleiding van o.a. buiknagel > nagelbuik ‘navel’ (Taalatlas IV, 12) merkt Weijnen (1966, 330) op: ‘Soms treft men in de dialecten het bepalende deel in de nominale samenstelling vanachter’ (Taal en Tongval I, 103, over anniebroek). Op het eerste gezicht is dit in strijd met mijn stelling dat omzetting van samenstellingen die in balans lijken te zijn, alleen plaats vindt als er door metathesis meer ‘grammaticaliteit’ bereikt wordt. Er kan ook nog iets anders in het spel zijn, namelijk de verhouding tussen wat het meest bekend is of lijkt en het vreemdere of specifieke. Bij buiknagel > nagelbuik schiet ook deze verklaring te kort, net als trouwens bij motstain, want mot in de betekenis ‘zeug’ is in Groningen, waar dat motstain gezegd wordt, net zo bekend als steen ‘steen’. 
  

Nagel is de Belgisch-Nederlandse variant van navel. De vorm is waarschijnlijk niet het resultaat van een fonologische operatie, want ook al wordt intervocalische v wel eens (hij heget naast hevet), maar van een vervanging van navel door het bekendere nagel = ‘spijker’, misschien ook vanwege de uiterlijke gelijkenis met een spijker(kop). En misschien is ook de metathesis wel mede een gevolg van een soort scherts met betrekking tot dit ietwat ondeugende lichaamsdeeltje. Nog een mogelijkheid: de voorkeur voor een jambisch woordritme. Want het is opvallend dat zowel buiknavel als buiknagel een variant met metathesis kennen, die zelfs beide frequenter zijn dan de oorspronkelijke vormen. Of betekent nagelbuik gewoon ‘het gedeelte van je buik waar je navel zit’? Dan is de volgorde van de delen ‘normaal’: eerst bepaling dan hoofd.
  

Waren de tot nu toe besproken combinaties die van twee substantieven, er zijn ook enkele samengestelde woorden omgezet waarbij een adjectief in het spel is. Daarvan de volgende voorbeelden: klaaroog naast ogenklaar (‘Euphrasia Tourn., ogentroost’, waarbij eventueel ook transpositie een rol gespeeld kan hebben. Het eerste woord bestaat uit werkwoordstam + substantief (object), het tweede uit substantief + substantief; Heukels 99). wagenwijd naast wijdwagen (Groningen, De Vries zj. 16). waterdeurnat naast deurwaternat (Woordenboek der Zeeuwse Dialecten, 1109). Deze laatste twee vormen kunnen gevallen van contaminatie zijn aangezien ook voorkomen: doornat en waternat.
  

Er zijn maar enkele woorden die metathesis kennen, geografisch onderzocht, overigens niet met dit doel. Gepubliceerd zijn pissebed (2 x), egel, sinaasappel, en verder is er een proefkaart van nootmuskaat. Vergelijking leert dat de verspreiding van de metathesis in deze gevallen steeds anders is. Er is dus geen gebied dat in voorkomende gevallen altijd metathesis doorvoert, maar er is ook geen gebied dat ‘foute’ samenstellingen of combinaties altijd handhaaft. Nog een kanttekening: als bepaalde gebieden in dit artikel genoemd worden en andere niet, dan heeft dat voornamelijk te maken met het toevallig voorhanden zijn van gegevens. Het verschijnsel woordmetathesis komt in het hele Nederlandse taalgebied voor, wat de geldigheid van het grammaticale principe natuurlijk algemener maakt. Of er ook gradaties of grammaticale verschillen bestaan, moet nog uitgezocht worden.

 

III. Het omgekeerde

Er is in het Nederlands één groep combinatie-woorden die in ons hele taalgebied een collectieve verandering heeft doorgemaakt die te vergelijken is met de hier aan de orde gestelde woordmetathesis, te weten de aanduidingen met oom en tante (of het oudere meu). In ouder Nederlands was de volgorde in deze combinaties helemaal in overeenstemming met de Nederlandse volgorde en beklemtoning in samenstellingen, eerst de specificatie en dan het hoofdwoord, ofwel eerst de persoonsnaam en dan de ‘titel’ oom of meu (het oude woord voor tante): Jaanesoom, Keesoom, Miemeu, Hannemeu, met de klemtoon op het eerste deel (o.a. Schönfeld (187), Verdenius 1940). Deze vormen zijn eenmaal algemeen geweest. Er zijn legio voorbeelden van te geven, uit ouder maar ook uit nieuwer Nederlands, en uit alle regio’s. Zomaar een voorbeeld, gevonden in de feestbundel Jan Goossens: Kasper-oom en ik, titel van een werk van de Leuvense Germanist Lodewijk Scharpé (1907). 
  

Schönfeld (187) noemt ze samenkoppelingen, met de volgende voorbeelden: Thomasvaer, Thijsbuur, Jan-neef, Truitje-nicht, Dirkzwager, Janbaas, Jan Neve; sommige (bijv. Janmaat) bestaan nog als familienaam. Verdenius (1940) meent dat bij deze combinaties steeds een waarderingselement in het spel is. Dat lijkt mij maar ten dele het geval en zeker niet bij de reguliere benamingen als met oom en meu. Bij deze laatste is de voornaam immers de (soms) noodzakelijke specificatie. Bij een vorm als Thomasvaar kan het tweede deel functioneren als een epitheton.
  

Later is een van deze verwantschapsaanduidingen, te weten meu, gaandeweg vervangen door het Franse tante (oudste vermelding volgens De Vries-De Tollenaere: 1784), dat tegelijk ook de Franse positionering met zich meenam: het algemene woord vóór de specificatie: en zo promoveerde Mie-meu opeens tot tante Mie. Het hoeft geen betoog dat zo’n jonge Franse ontlening binnen de kortste keren modeverschijnsel werd en zich in hoog tempo wist te verbreiden. In de dialecten heeft de verbreiding van tante doorgezet tot ongeveer bij de grote rivieren; ten noorden daarvan is meu en varianten nog bekend, althans ten tijde van de enquêtering (1937-1943) (Taalatlas VI, 2). Vervolgens heeft deze Franse tante ook de plaats van de andere aanduidingen beïnvloed, om te beginnen die van oom. In dit geval is er sprake van metathesis in strikte zin: Keesoom wordt oom Kees. Dat vooropplaatsen van oom is pas vrij laat algemeen geworden. Potgieter, Beets en Heije (alle toch 19e eeuwers) schrijven nog regelmatig Orbert-oom, Krelis-oom, Kees-oom e.d. (WNT XI, 18), al betreft dat meestal personen uit bepaalde sociale milieus. 
  

Alleen in het ‘Vlaamse’ deel van het Nederlandse taalgebied is de parallel met tante nog vollediger geworden. Daar verscheen namelijk in het kielzog van tante ook haar wederhelft, het Franse (n)onkel inclusief de ‘Franse’ plaatsing, dat het Germaanse woord voor ‘oom’ ( = oom), volledig heeft vervangen. 
  

In tegenstelling tot tante is (n)onkel niet in de algemene omgangstaal doorgedrongen, althans niet in die in Nederland en daarom heet het laatste woord in WNT (XI, 17) wellicht een ‘bastaardwoord’. Waardoor de verbreiding van (n)onkel minder succesvol verliep is een raadsel. Of moet de vraag luiden, waardoor heeft tante zo’n succes gehad. Misschien dat het oude meu meer een dialectodium had dan oom of wellicht waren vrouwen gevoeliger voor nieuwigheden. Hoe dan ook, de noordelijke grens van (n)onkel en varianten, valt vrijwel precies samen met de Rijksgrens tussen Nederland en België (o.a. Roukens 1937, kaart 65 en P.J. Meertensinstituut, kaart A.R. 76); nonkel is daarmee ongetwijfeld een lang leven beschoren. Het behoort namelijk tot de woorden waarmee de Nederlandstaligen in België zich het langst en misschien wel altijd zullen blijven onderscheiden van die in Nederland, nl. de woorden waarvan de geografische begrenzing samenvalt met de Rijksgrens, die nu ‘gereduceerd’ is tot cultuurgrens, een type grens waar geen Schengen iets aan kan veranderen.
  

De metathesis bij de verwantschapsnamen is precies het omgekeerde van die in bijv. vogelstruis > struisvogel, waarbij de volgorde [hoofd + bepaling] veranderde in [bepaling + hoofd], terwijl de omzetting Kees-oom in oom Kees een voorbeeld is van de wijziging [bepaling + hoofd] in [hoofd + bepaling]. In het eerste geval, namelijk dat van alle gewone aan het Frans ontleende formaties, werd een ‘Franse’ volgorde uiteindelijk afgewezen, in het tweede werd de ‘Franse’ volgorde juist overgenomen. 
  

Het proces van analoge metathesis heeft zich tenslotte ook uitgestrekt over alle verwantschapsaanduidingen, als broer, dat volgens WNT (III, 1427) ‘eertijds, vooral bij het aanspreken, vaak voorafgegaan [werd] door een voornaam en daarmede tot een koppeling verbonden: Jan-broer, Pieter-broer; later is dit gebruik vervangen door de, thans ook reeds verouderende, omgekeerde verbinding broer Gerrit, broer Koos.’ Er zijn nu in het ‘algemene’ Nederlands alleen nog wat relicten van de oorspronkelijke formatie aan te wijzen, bijv. Pieterbaas en Janneman, waarbij, zeker in het laatste geval, wat mij betreft, een waarderingselement aanwezig is.

 

Noten
*) Dit artikel heeft geprofiteerd van opmerkingen van Ton Duinhoven en Georges de Schutter.

Bibliografie

  • Afrikaanse Taalatlas, afl.14 en 15, Pretoria, 1976-1977
  • ANS (Algemene Nederlandse Spraakkunst)
  • Berg 1972, B. v.d. Foniek van het Nederlands, Den Haag, 7e druk.
  • Blancquaert 1933, E. en W. Pée,
    ‘De Nederlandsche Dialectnamen van de Spin, den Ragebol en het Spinneweb’, in Handelingen van de Commissie voor Toponymie en Dialectologie, VII, blz. 329-432.
  • Bakel 1969, J.van E. Rijpma en F.G. Schuringa,
    Nederlandse Spraakkunst, bewerkt door Jan van Bakel, Groningen.
  • Goossens 1988, J.
    Sprachatlas des nördlichen Rheinlands und des südöstlichen Niederlands, 1. Lieferung, Marburg.
  • Heeroma 1954, K.
    ‘De benamingen van de egel’ in Driemaandelijkse Bladen, Nieuwe serie 6, blz. 33-39.
  • Heukels 1907, H. 
    Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten; reprint Utrecht 1987.
  • Hogerheijde 1979, H.
    ‘Onderzoek naar regionale namen van citrusvruchten’, in Taal en Tongval 31, blz. 24-40.
  • Kloeke 1939, G.
    ‘De keldermot’ in Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde LVIII, blz. 109-122.
  • Lessen 1928, J.H. v.
    Samengestelde naamwoorden in het Nederlandsch, diss. Groningen.
  • Roukens 1937, W.
    Wort- und Sachgeographie in Niederländisch-Limburg und den benachbarten Gebieten, Nijmegen.
  • dr. A. van Loey
    Schönfelds Historische Grammatica van het Nederlands, 7e druk,
  • Schutter 1991,G.de 
    ‘Samenstelling en analytische uitdrukking:pijn in/aan X <> X-pijn in Taal en Tongval 43, blz. 1-17.
  • Stroop 1969, J.
    Paardebloem à la carte, Amsterdam
  • Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland, Leiden
  • Verdenius 1940, A.A.
    ‘Composita bestaande uit eigennaam + waarderingselement’, in De nieuwe taalgids 34, blz. 167-173.
  • Vooys 1967, C.G.N. de 
    Nederlandse Spraakkunst, herzien door M. Schönfeld, Groningen.
  • Vries, J. de /F. de Tollenaere 1991
    Etymologisch Woordenboek, Het Spectrum
  • Vries z.j., W. de
    Iets over woordvorming (opnieuw uitgegeven door C. Kruyskamp), Zutphen zj.
  • Weijnen 1966, A. 
    Nederlandse Dialectkunde, Assen.
  • Woordenboek der Zeeuwse Dialecten, 1979, redactie Ha. C.M. Ghijsen, Amsterdam/Brussel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
jan_stroop Vanmiddag de film The Man Who Knew Infinity over 't wiskunde-genie Ramanujan gezien. Ook toevallig na zondagavond met die andere wiskundige.
1hreplyretweetfavorite
jan_stroop RT @wimdebie: Onbevoegd lesgeven wordt weer toegestaan! https://t.co/87u4vmaeOn
7hreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>