Hark en prehistorie

Uit de Tuinkrant van Volkstuinvereniging ‘Nut en Genoegen’, mei 2016

 

 

In de NRC van zaterdag 4 juni stond een boeiend interview met de antropoloog Carel van Schaik. ’t Trok meteen al mijn aandacht door de kop die erboven stond: De Bijbel als landbouwboek. Als volkstuinder doe je toch ook een beetje aan landbouw.

 

Van Schaik deed een opmerkelijke uitspraak, die ik trouwens in ’t boek Sapiens van Yuval Noah Harari ook al tegengekomen was, namelijk deze: aanvankelijk waren de mensen zorgeloze jagers en verzamelaars, maar door de uitvinding van de landbouw, 10.000 jaar geleden, werd ’t leven voor de mens veel onzekerder en rampzaliger. Hongersnood, mislukte oogsten en veeziektes waren ’t gevolg, wat ’t leven veel meer spanning gaf.

 

Op kleine schaal merk je die stress als tuinder ook: want wanneer is er weer een keuring en hoe zal die uitpakken? Heb ik wel genoeg gewied; was die ene plant misschien toch onkruid; is m’n gras kort genoeg; wanneer is de herkeuring en ga zo maar door.

 

Een belangrijk bijkomstig resultaat van de agrarische omwenteling is dat er gereedschappen kwamen om ’t land te bewerken. Die gereedschappen zelf zijn zelden overgeleverd, want ze waren meestal van hout, maar wel hun benamingen, want ’t zou best kunnen dat de namen die we ze geven nog stammen uit de tijd dat de eerste landbouwers zich, rond 5300 v. Chr., vestigden op het Lössplateau in Zuid-Limburg.

 

Neem de hark. Voor dat gereedschap, dat wil zeggen voor de houten hooihark en de ijzeren tuinhark, bestaan in ons taalgebied minstens vier namen: hark, rijf, reek en gritsel. Hark wordt genoemd in 14e eeuw genoemd. De andere komen pas later in teksten voor, maar dat zegt niets over hun werkelijke ouderdom.

 

Een aanwijzing van hoge ouderdom zie ik bij reek. Dat woord komt namelijk in verschillende gedaantes voor in een groot aantal Germaanse talen, Duits, Engels en de Scandinavische talen, ook in oudere fasen van die talen. Reek is afgeleid van een gereconstrueerd werkwoord rekan– , dat ‘bijeenbrengen’ betekende, maar dat zelf niet meer bestaat. Misschien is ’t toeval en gaat mijn fantasie met me op de loop, maar ’t is wel opvallend dat dat reek juist voorkomt in Zuid-Limburg, waar de oudste Nederlandse landbouwers gelokaliseerd zijn.

 

Hark is waarschijnlijk een betrekkelijk jong woord, jonger in elk geval dan rijf. Dat laatste woord was namelijk aanvankelijk in heel Nederland bekend, maar later is daar in Gelderland, Overijssel Utrecht en Holland hark vanuit Duitsland voor in de plaats gekomen.

 

Waarom die nieuwe naam succes had, weten we niet. Misschien was ’t de naam van een nieuw type hark, de ijzeren hark bijvoorbeeld. ’t Woord hark wordt wel gezien als een woord dat de klank van de gehanteerd hark nabootst. Zoiets kan ik me bij de oude houten hark minder goed voorstellen dan bij die van ijzer, zeker ik als bezig ben m’n schelpenpad te harken. Dus wie weet?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
jan_stroop @MarcelPlaatsman @pauwnl Weet ik niet, maar me niet verbazen, naar analogie van koninklijk e.d.
3hreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>