De ui


Uit de Tuinkrant van Volkstuinvereniging ‘Nut en Genoegen’, december 2018

De beste tijd om uien te oogsten is al lang weer voorbij. Die valt in augustus las ik ergens, maar een stukje over de benaming ui kan natuurlijk altijd. Dat ik dat nu pas doe, vind ik eigenlijk wel gek, want de ui (Allium cepa) is voor een taalkundige een heel dankbare plant. Zijn verschillende benamingen geven namelijk een mooi beeld van de culturele invloeden, die ons taalgebied in de loop van de tijd heeft ondergaan, in de vorm van leenwoorden.

 

Laat ik beginnen met look dat in oostelijk Nederland gebruikt wordt. Dit look is geen leenwoord maar een erfwoord. ’t Is al aanwezig in ’t Germaans, de voorloper van ’t Nederlands. Look bestond ook al voordat de ui hier door de Romeinen gedurende de eerste eeuwen van onze jaartelling geïmporteerd werd. ’t Was waarschijnlijk de naam van een aanverwante plant die overgedragen is op de geïmporteerde ui. Net zoals later de naam aardappel overgedragen is op de geïmporteerde batata.

 

De naam die de Romeinse ui met zich meebracht was een afgeleide van de Latijnse naam ónio, namelijk un. Dat woord komt bij ons voor in Zuid-Limburg en verder in ’t aangrenzende Duitse taalgebied en ook in Luxemburg, niet toevallig gebieden die een langdurige Romeinse bezetting gekend hebben.

 

Een met un verwante benaming is ajuin, dat in verschillende gedaantes voorkomt, ajuin, juin en juun. Ook deze vormen gaan terug op de Latijnse naam maar, nu in de verbogen vorm, uniónem, zoals gebruikelijk was in de latere Romaanse periode. De klemtoon ligt nu op de derde lettergreep. Daardoor worden de eerste en de laatste lettergreep, die weinig of geen klemtoon dragen, gereduceerd tot respectievelijk a- en tot ‘niets’: ajuun. In veel dialecten verdween ook die begin-a, terwijl de uu daarna vaak ui werd, zoals dat in een massa woorden gebeurde: huus werd huis, bruun werd bruin.

 

 

Er is nog een derde variant die afkomstig is uit ’t Romaanse taalgebied en wel andjoen, dat we in West- en Oost-Vlaanderen aantreffen. Deze twee gebieden waren in de Middeleeuwen onderdeel van ’t Franse koninkrijk en dat had een grote Franse betrokkenheid tot gevolg, in bestuur en beleid. Dat de aanwezigheid van belangrijke Fransen ook invloed heeft gehad op de taal van de Vlamingen spreekt vanzelf. Men zag tegen ze op. Dat andjoen is dus gewoon van de Franse medeburgers overgenomen.

 

De vorm die nog verklaard moet worden is ui, de benaming die ook in ’t Algemene Nederlands terechtgekomen is. Op het eerste gezicht past die ui, niet in ’t rijtje van de andere vormen. Er zijn verschillende verklaringen geprobeerd, maar de verklaring die me ’t meeste aanspreekt, is die van collega Jan Goossens, deze:

De vorm juun onderging nog een verdere reductie en werd uun.  De verandering die alle uu’s in de loop van de 17e eeuw ondergingen deed zich ook voor bij uun, dat uin werd. Nog weer later verscheen tussen die ui en de n een klinkertje met uien als resultaat.

 

Dat is geen verzinsel, want ’t enkelvoud uien bestaat echt. ’t Wordt, of werd in elk geval, gezegd in een aantal plaatsen in West-Friesland. Dat uien moet eenmaal in een veel groter gebied gebruikt zijn. Maar daar heeft zich nog een nieuwe ontwikkeling voorgedaan: uien werd, vanwege die –en, opgevat als een meervoud. De uitgang werd afgehaald en zo ontstond ’t nieuwe enkelvoud ui.

 

Er is nog een laatste leenwoord en dat is siepel dat we tegenkomen in oostelijk Nederland en over de grens tot in Sleeswijk-Holstein. Dat siepel is de vernederlandsing van ’t Middellatijnse cepolla, een verkleinwoord van cepa. De vraag is hoe zo’n woord helemaal in Groningen terecht kon komen. Antwoord: waarschijnlijk via de kloosters, waarvan er in ’t noorden vele waren, die ook allemaal zusterkloosters hadden in heel West-Europa. Die kloosters hadden grote invloed op hun omgeving. Vooral op ’t terrein van de landbouw, waar ze een voortrekkersrol vervulden. Dat komt wellicht ook tot uiting in ’t succes van siepel, want op de kaart is goed te zien dat siepel ’t oudere look verdrongen heeft.

 

2 Reacties op De ui

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
jan_stroop RT @Opiniestukken: via Het Parool: Excuses? Ik zou niet weten waar ik ‘schuldig’ aan ben https://t.co/vRhu7FH2RA
2hreplyretweetfavorite
jan_stroop RT @Public_Citizen: .@AOC on what we tell 17-year-olds in this country: You are not old enough or responsible enough to drink, vote or se…
2hreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>