Over liggen/leggen en kunnen/kennen

in: Taal als levenswerk; aspecten van de Nederlandse taalkunde (red. J Engelsman e.a.), Den Haag 2005, blz. 168-172.

voor Nicoline van der Sijs

 

De samenval van de werkwoorden liggen/leggen en kunnen/kennen is een van de vele onderwerpen die Nicoline van der Sijs in haar laatste boek, Taal als mensenwerk, behandelt (Van der Sijs 2004, blz. 513-514). Ze heeft ‘t daar over enkele factoren die de samenval van liggen en leggen en van kunnen en kennen hebben bevorderd. De situatie in de Nederlandse dialecten komt daarbij maar zijdelings aan de orde. Daarom hier wat gedachten daaromtrent.

 

 

De samenval bij de werkwoorden in kwestie is in wezen het ongedaan maken van een onderscheid dat ‘t gevolg is van een grammaticale ontwikkeling. De werkwoorden leggen en kennen zijn causatieven, die, net als dat bij nog een aantal andere werkwoorden het geval is, met het suffix –jan afgeleid zijn van een vorm van een sterk werkwoord. In het geval liggen werd lagjan > leggen. In de betekenis van het secundaire werkwoord zit een element ‘doen’. Leggen is dan ‘doen liggen’.

 

Kennen is gevormd van het enkelvoud kan van het praeterito-praesens kunnen. Van die vorm van dit werkwoord is al in het Gotisch met behulp van het  achtervoegsel (suffix) -jan een tweede werkwoord afgeleid, precies zoals dat bij liggen/leggen gebeurd was. Kannjan is dus ontstaan uit kan+jan, weer een causatief werkwoord. Het betekent ‘het vermogen doen hebben om’, of  ‘doen weten’.

 

De samenval van leggen/liggen is al eeuwenoud. Het materiaal van het Vroegmiddelnederlands Woordenboek, dat me ter beschikking gesteld is door Karina van Dalen-Oskam, laat zien dat de spellingen van beide werkwoorden volledig willekeurig zijn en door elkaar lopen. Ik heb niet kunnen nagaan of er een geografische bepaald patroon achter zit. Dat is niet uitgesloten, zelfs waarschijnlijk  want, zoals bijgaand kaartje toont, zijn er tegenwoordig nog steeds hele dialectgebieden, alle ten oosten en zuiden van de getrokken lijn, waar het onderscheid tussen liggen en leggen perfect gemaakt wordt. Die getrokken lijn is overgenomen van de kaart van Weijnen (Nederlandse Dialectkunde 1966, Overzichtskaart). In de Middeleeuwen zal de verdeling niet anders geweest zijn.

 

In de periode van het taalkundige beschavingsoffensief, de 18e eeuw dus, werd ook de samenval van de werkwoorden leggen/liggen, en in mindere mate die van kennen/kunnen onder vuur genomen (zie Van der Sijs). Daardoor wordt de samenval in het ABN nog steeds afgekeurd, terwijl die in de dialecten beschouwd wordt als het resultaat van een normale ontwikkeling.

 

Hoe komt het nu dat twee werkwoorden die aanvankelijk ieder een eigen betekenis hadden, leggen is tenslotte niet voor niets ontstaan, in een aantal dialecten door elkaar gehaald werden en tenslotte zelfs met elkaar versmolten? Heeroma ziet het samenvallen van de twee werkwoorden als een gevolg is van een klankverandering bij het oudste van de twee, liggen. Die verandering van i > e,  fonetisch: [I] > [ε], kwam wel meer voor. Een bekend voorbeeld is brigge, dat eerst ontstaan was uit brugge, en vervolgens door verlaging van de [I] een [ε] krijgt. Hetzelfde bij put >pit > pet. Zo kan ook liggen tot leggen geworden zijn.

 

Zo’n verandering, die toch behoorlijk ingrijpend is, zou nooit hebben plaatsgevonden, als er niet ook andere factoren meegewerkt zouden hebben, de factoren namelijk die Van der Sijs aanhaalt. Daar is om te beginnen de derde persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd, die bij beide werkwoorden, klankwettig, leit luidt. Bij het eerste werkwoord, liggen, wordt de vorm ligget eerst leget, door rekking van de [I] in open lettergreep;  vergelijk maar schip > schepen. Vervolgens wordt leget > leit, vergelijk maar pegel > peil; meged > meid; zegede > zeide. Dan het andere werkwoord, leggen. Ook daar resulteerde de derde persoon in leit doordat leget door rekking op dezelfde manier leit oplevert. Zo zijn de twee vormen identiek geworden. Blijkbaar is het betekenisonderscheid tussen liggen en leggen voor de westelijke dialectsprekers niet  voldoende geweest om de samenval die door de klankverandering dreigde, tegen te houden.

 

Hoe gemakkelijk ook de twee werkwoorden kennen en kunnen door elkaar kunnen lopen, bleek maar weer eens uit een kop in De Volkskrant van 22 februari 2000 (katern De Voorkant). Die kop luidde: “In Delfshaven hoef je geen Nederlands te kunnen”. Een lezer stoorde zich eraan en vroeg zich wat nu de bedoeling was. Moeten we de zin aanvullen met schrijven, lezen of spreken, dan is goed wat er staat: ‘geen Nederlands te kunnen schrijven’. Of bedoelt de schrijver ‘Nederlands te kennen’?  Dan is hier een verkeerd werkwoord gebruik.

 

Maar wat te denken van het volgende zinnetje in Hollandse volkstaal: ze ken goed koken.  Is dat de Hollandse uitspraak van de korte a? Denk aan Amsterdams [mεn] ‘man’: kaek aut men. Als dat zo is hebben we hier geen geval van verwisseling, maar de Amsterdamse uitspraak van kan. Maar als er wel verwisseld is en als we ken dus als een vorm van het werkwoord kennen moeten opvatten, waar is dan de t van het zwakke werkwoord kennen?  Of is het toch kent, maar dan zonder t, zoals in het Haags (of West-Brabants): hij kom nie?

 

Voorzover ik weet is er nog nooit een kaartje gepubliceerd waarop de geografische spreiding van de varianten van het werkwoord kunnen te zien is, in relatie ook tot de vormen van het werkwoord kennen. Op het kaartje dat ik hier presenteer, staan in totaal 482 tekens die staan voor plaatsen waar kunnen niet meer bestaat. In alle overige plaatsen waar voor de RND geënquêteerd is, dat zijn er ruim 1500, driekwart van het totaal, heeft kunnen een geronde midden of hoge klinker k[Λ]nnen, k[y]nnen. Daar worden kunnen en kennen dus onderscheiden. Voor wat de gekozen tekens betreft, geldt dat de verticale tekens staan voor plaatsen waar kunnen en kennen in kennen zijn samengevallen.

 

Zoals het kaartje*) laat zien, vertoont de geografie van kunnen/kennen op het punt  van samenval veel overeenkomst met die van leggen/liggen (zie de isoglosse, de zwarte lijn, op het kaartje: links ervan leggen, rechts leggen en liggen).  Er zijn wel een paar opvallende verschillen. Om te beginnen komt de vorm kennen in westelijk Nederland minder voor dan het vergelijkbare leggen. Kennen ontbreekt op Goeree en in delen van de  Zeeuwse eilanden. Daarentegen komt kennen ‘kunnen’ in Groningen juist wel voor, leggen ‘liggen’ weer niet. De samenval van beide tweetallen werkwoorden is dus niet in alle opzichten het gevolg van een algemene tendens.

 

Net als bij liggen zou ook bij kunnen een klankontwikkeling mede een rol gespeeld kunnen hebben. De vorm kennen komt namelijk vooral voor in Hollandse gebieden waar ontronding van u tot e een normaal verschijnsel was: put > pet;  brug > breg; knuppel > kneppel. Vergelijk de kaart RUG in de ANKO (Atlas van de Nederlandse Klankontwikkeling). Kennen kan dus veroorzaakt zijn door de algemene ontronding in dat gebied, net als kinnen trouwens, dat in Noord-Friesland en Noord-Groningen voorkomt. Wat daartegen pleit is het voorkomen van kennen ook buiten de ontrondingsgebieden, o.a. in Zuid-Holland en in het overige Groningen.

 

De belangrijkste oorzaak voor de samenval moet daarom wel een semantische geweest zijn. Doordat de betekenissen van beide werkwoorden, kunnen en kennen, zo dicht bij elkaar liggen en ook veel overlap vertonen is het niet zo verwonderlijk dat die betekenissen, net als bij liggen, op één vorm zijn overgedragen. In het presens krijgen we vormen van kennen: ik ken ‘m goed, ik ken niet kommen. In het imperfectum is kunnen de overlever: ik kon ‘m goed, ik kon niet kommen.

 

In het Vroege Middelnederlands zijn nog maar weinig sporen van verwarring aan te wijzen. In  het materiaal van het Vroegmiddelnederlands Woordenboek komt in het lemma CONNEN te midden van een veelheid van spellingen de vorm kennen maar één keer voor. Dat wordt later wel anders. In de17e eeuw lijkt er wel totale anarchie te heersen, althans bij Hollandse schrijvers als Vondel, Bredero, Hooft en anderen. Ze gebruiken vaak kennen voor kunnen en regelmatig, zij het minder, ook kunnen voor kennen. In de dialectgebieden waar op het kaartje geen tekens staan, worden de twee werkwoorden perfect uit elkaar gehouden, en dat moet ook in het verleden het geval geweest zijn.

 

Overigens is de ontwikkeling bij kunnen niet overal in ons taalgebied een gevolg van semantische menging. In plaatsen met een horizontaal teken heeft kunnen door ontronding een ie [i] gekregen, dan wel een e [ε]; in het laatste geval is het werkwoord ‘toevallig’ samengevallen met  kennen. Dat dat inderdaad de oorzaak is en niet de bijna identieke betekenis van de twee werkwoorden, blijkt bij vergelijking van mijn kaartje met kaart nr. 32 KENNEN, uit de FAND (Fonologische Atlas van de Nederlandse Dialecten). Om te beginnen liggen de ontronde vormen van kunnen (niet de Frans-Vlaamse) in de drie bekende ontrondingsgebieden rondom Brussel (Verstegen). In de gebieden 2 en 3, respectievelijk met Mechelen en Leuven als centrum, luidt de ontronde vorm van het werk kunnen: kienen. Dit kienen is natuurlijk ontstaan uit kunnen: k[y]nen  > k[i]nen. In die gebieden is de klankvorm van het werkwoord kennen: k[ε]nnen of k[æ]nnen. Hier dus geen samenval van de twee werkwoorden.

 

In het meest westelijke van de drie gebieden, dat met Aalst als centrum, is het beeld gecompliceerder. In plaatsen die daar het tekentje voor kienen hebben, is er geen samenval, want kennen luidt er kennen. De horizontale streepjes staan voor kennen. Daar zijn de twee werkwoorden gelijkluidend. Dat vorm kennen ‘kunnen’ exact voorkomt in een gebied waar ontronding structureel aanwezig is en in deze regio nergens daarbuiten, maakt duidelijk dat kennen ook hier het product is van die ontronding, van kunnen dus. Dat sluit uit dat de twee werkwoorden hier vanwege hun geringe betekenisverschil in elkaar ‘geschoven’ zijn. Het is bekend dat ontronding in deze gebieden steeds uiterst dwingend geweest is, waardoor ze wel homofoon moesten worden; eventueel semantisch tegenspel zou hier al helemaal niets hebben kunnen uithalen. Wat wel intrigeert, is de vraag of de sprekers van deze dialecten toch nog notie hebben van twee werkwoorden kennen, wellicht doordat er in het imperfectum nog wel verschillen zijn. Op die vraag een antwoord geven is, door het ontbreken van materiaal, onmogelijk.

 

Ook Frans-Vlaanderen kent twee vormen van het werkwoord kunnen: kunnen en kennen. In het noordelijke deel komt het eerste voor, in het zuiden kennen, hier door een horizontaal streepje aangegeven. Dat streepje heb ik eerder gereserveerd voor kennen dat door ontronding ontstaan is. Het lijkt erop dat ook in Frans-Vlaanderen de ontronding de twee werkwoorden gelijkluidend gemaakt heeft. Incidentele ontronding is in dit gebied niet zeldzaam (Taeldeman 1994, 154). Zelf heb ik in de RND-zin nr. 101 in alle plaatsen waar kennen ‘kunnen’ voorkomt, pet en pit voor put genoteerd.

 

Opvallend is wat het noordelijke deel van Frans-Vlaanderen laat zien. Daar heeft kennen, blijkens de FAND, de vorm kunnen aangenomen. De redactie van die Atlas verklaart die vorm door ronding aan te nemen.Dat lijkt me ten onrechte. Dat zou namelijk de gekke situatie opleveren dat van twee aan elkaar grenzende gebieden het ene ontrondt en het andere een hypercorrecte ronding vertoont. Die erin resulteerde dat twee werkwoorden die men wilde onderscheiden toch zijn samengevallen.. Ik houd het er daarom op dat in plaatsen als Zuydcoote, Steenvoorde en alle tussengelegen plaatsen er geen semantische belemmeringen waren voor de twee werkwoorden om in kunnen, samen te vallen.

 

Een heel andere weg zijn de plaatsen gegaan waar de infinitief van kennen kannen is geworden. Ze liggen, afgezien van wat plaatsen her en der, voornamelijk in twee gebieden in Noord-Brabant. De ontwikkeling moet zo gegaan zijn: van ’t enkelvoud ik/hij kan is door analogie het meervoud we kannen gevormd, en tenslotte is die vorm ook gaan functioneren als infinitief. Een logische ontwikkeling die gedachtig Von Humboldt en gelet op de neiging van praeterito-praesentia om rijtjes regelmatiger te maken (ik kan, je kan, hij kan), overal had gekunnen. Of dat proces ooit gaat doorzetten, legt in de Schoot der Goden.

*) ’t kaartje is vervaardigd met behulp van CARTO, het door Jan van Bakel gemaakte tekenprogramma (http://www.telebyte.nl/~janbakel/)

 

Literatuur:

  • ANKO: J. Daan, M.J. Francken, Atlas van de Nederlandse Klankontwikkeling. Amsterdam 1972-1977.
  • FAND: Goossens, J., J. Taeldeman en G. Verleyen: Fonologische Atlas van de Nederlandse Dialecten (F.A.N.D.) deel I. Gent, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1998.
  • Heeroma (1935), K., Hollandse dialektstudies, Groningen.
  • Sijs (2004), Nicoline van der, Taal als mensenwerk: het ontstaan van het ABN, Sdu Uitgevers, Den Haag.
  • Taeldeman (1994), J., ‘Ronding en ontronding in het Nederlands en de Nederlandse dialecten: een verhaal over çultuur’’vs. ‘natuur’in taal’, in Taal en Tongval jaargan 46, blz. 152-179.
  • Verstegen (1941), V., ‘De ontrondingsgebieden in Zuid-Nederland’, in: Handelingen Commissie Toponymie & Dialectologie 15, blz. 299-304.
  • Weijnen (1966), A.A., Nederlandse Dialectkunde, Van Gorcum, Assen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Twitter
jan_stroop RT @CarelStolker: Frans de Waal laat in #zomergasten nog eens zien hoe schándelijk Wouter Buikhuisen werd behandeld door VN, en hoe mild hi…
5hreplyretweetfavorite
jan_stroop RT @zomergasten: 'Het was allemaal zeer deprimerend.' Frans de Waal over de affaire Wouter Buikhuisen. #Zomergasten https://t.co/1Z4GChj2H3
5hreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>