45. Tuinkruiden: salie

uit de Nieuwsbrief van Volkstuinvereniging ‘Nut en Genoegen’, Zaandam, november 2022.

 

 

Dit stukje gaat over een bij ons niet zo bekend tuinkruid, salie. Salie (salvia officinalis) is een plant die inheems is in Zuid-Europa. Hij werd al vroeg gecultiveerd, vanwege z’n lekkere geur. Daar kwam nog bij dat de plant magische krachten werden toegeschreven. Voor de Romeinen was salie zelfs een heilige plant, die ze dan ook herba sacra ‘heilig kruid’ noemden. De plant salie was gewijd aan Jupiter, de Romeinse Oppergod.

 

Een andere belangrijke eigenschap was dat salie geneeskrachtig was en mensen weer beter kon maken. Salie werd verondersteld te helpen tegen ontstekingen van mond, keel en amandelen. Hij kan inwendig gebruikt worden bij ontstoken of bloedend tandvlees, een ontstoken tong of een ontsteking van de mond.

 

Dodonaeus vermeldt in zijn Cruijdeboeck (1554) nog een reeks aandoeningen die met salie bestreden kunnen worden: hoofdpijn, pijn in de zij, bloedingen, insectenbeten. Vrouwen worden er vruchtbaar door, enzovoorts. Als je dat allemaal overziet, hoef je je niet meer te verbazen over de naam salie. Want die is afgeleid van ’t Latijnse woord salus, dat ‘gezond’ betekent. Salie is dus de ‘gezondmaker’ bij uitstek.

 

Salie is, net als zoveel planten en vruchten, in West-Europa terechtgekomen door de Romeinen. Later hebben kloosterorden gezorgd voor een nieuwe verspreiding van de plant en zijn benaming over Europa. Er zijn minstens drie fases van ontlening te onderscheiden aan de hand van de benamingen.

 

In ’t Nederlandse taalgebied, dat is Nederland plus Vlaanderen, komen de volgende de benamingen voor: selve, zelf, zilf, zelver, selvia, salie, savie, savee, saalje, sealje, saalde, saille, zaalfe, saalfe, salbei en salvia. Ze gaan allemaal terug op dat Latijnse woord salvus’. Aan de varianten kun je afzien dat ze in verschillende periodes overgenomen zijn.

 

De oudste vormen zijn die met een e in plaats van de a: dus zelve, selve en zelver. Zilf hoort daar ook bij.  Deze vormen met e zijn ontstaan in de Romeinse tijd, in elk geval gedurende de eerste eeuwen en wel bij de ‘Germaans’-sprekende inheemse bevolking. Tegenwoordig komen ze in heel oostelijk Nederland voor, van Groningen tot en met Limburg, inclusief Belgisch Limburg. Zie de driehoekjes op onderstaande kaart, die ontworpen is door Har Brok.

 

Voor rekening van ’t middeleeuwse Latijn van de kloosters komen de vormen zonder lsavie en savee. We vinden ze in Brabant: de ruitjes op de kaart. De 16e-eeuwse Brabander Kiliaan vermeldt de naam in de vorm  sauie  (= savie). Kiliaan kent ook de Hollandse en Friese vormen uit zijn eigen tijd: salgie, saelgie, salie. Die vormen zien we ook nu nog in Holland en Friesland en verder in o.a. Zeeland. Deze vormen met een l komen waarschijnlijk in een latere periode uit Noord-West-Frankrijk vandaan. We vinden zodoende drie ontleningsfasen, die op de kaart min of meer naast elkaar liggen: in ’t oosten zelf, in ’t midden savie, in ’t westen salie.  Een interessante, maar moeilijk te beantwoorden vraag is of de aanwezigheid van drie verschillende benamingen ook aanwijzing is dat de plant salie zelf drie keer ontleend is.

 

Terwijl de salie in ’t algemeen bekend en geliefd is om zijn goede eigenschappen, je kunt er ook nog thee van zetten, heeft ie daarnaast een slechte naam gekregen. Dat is gekomen doordat ie als bijnaam is gaan fungeren voor een sullig, suf persoon, een Jan Salie. Voor ’t eerst duikt deze Jan Salie op in een klucht uit de 17e eeuw, maar hij is pas echt populair geworden door een verhaal van  Potgieter, Jan, Jannetje en hun jongste kind (1841). Potgieter beschrijft Jan Salie daar aldus:

 

“…als men den langen slungel aanziet, die ginder slemp schenkt, en ginder slemp lept: welke doffe oogen! – welk een meelgezigt! – welk eene houding van slierislari! – Welk eene ergernis vooral, als ik het u niet langer verhelen mag, dat dit ongeluk de jongste zoon is van Jan en Jannetje; hij, de patroon aller slaapmutsen, aller soepjurken, aller sloffen te onzent! hij, Jan Salie!”

 

Slemp is een drank van warme melk met salie. Die drank is bij Potgieter symbolisch voor Jan Salie. Dat suffe imago heeft ’t woord salie intussen wel afgeschud. En voor types als Jan Salie hebben we tegenwoordig volop andere benamingen: lapzwans, flapdrol, slapjanus.  ’t Tuinkruid salie zelf is tegenwoordig behoorlijk populair, getuige ’t grote aantal recepten dat je bij  Google kunt vinden.

 

deze kaart kan uitvergroot worden

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Twitter
jan_stroop RT @raynorsarnac: #WTP #pensioenwet #pensioendebat nu rechtstreeks @NOS_Politiek te zien. De grootste diefstal aller tijden. Met als daders…
41sreplyretweetfavorite
jan_stroop RT @MvRooijen: Kan iemand die geen verstand van pensioenen heeft toch een vraag stellen?
1mreplyretweetfavorite
Over Jan Stroop
Jan Stroop is gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is dialectoloog maar zijn belangstelling gaat ook uit naar ontwikkelingen van het gesproken Nederlands. Zo heeft hij in 1997 ’t Poldernederlands ontdekt, een nieuwe variant van het ABN, die nog steeds ’t meest gehoord wordt bij hoogopgeleide vrouwen.
Lees verder >>